Eiser voerde een agrarisch loonbedrijf met een woning die hij tot zijn ondernemingsvermogen rekende. Na staking van de onderneming stelde eiser dat de woning ten onrechte tot het ondernemingsvermogen werd gerekend en beriep zich op de foutenleer om correctie toe te passen.
De rechtbank stelde vast dat de woning op het bedrijfsterrein stond, administratieve werkzaamheden en coördinatie vanuit de woning plaatsvonden en dat er feitelijk toezicht was op het bedrijfsterrein en de machines. Dit maakte de woning dienstbaar aan de onderneming.
De rechtbank oordeelde dat eiser in redelijkheid de woning tot zijn ondernemingsvermogen kon rekenen en dat er geen sprake was van verplicht privévermogen. Daarom kon de foutenleer niet worden toegepast en werd het beroep ongegrond verklaard.
Ook het beroep tegen de heffingsrente werd ongegrond verklaard omdat daartegen geen afzonderlijke gronden waren aangevoerd. De rechtbank legde geen proceskostenveroordeling op.