Uitspraak
[verdachte]
1.De inhoud van de tenlastelegging
2.Het onderzoek ter terechtzitting
3.De beoordeling van de civiele vordering
€ 5.216,69,- vermeerderd met de wettelijke rente.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Gelderland
De zaak betreft een 27-jarige verdachte uit Beuningen die werd verdacht van seksueel misbruik van een minderjarig slachtoffer in de periode september 2009 tot februari 2010. Na aangifte en een eerste sepotbeslissing door het openbaar ministerie, waarbij verdachte werd geïnformeerd dat hij niet vervolgd zou worden, ontstond een conflict toen de vader van het slachtoffer bezwaar maakte en een klacht indiende.
Het openbaar ministerie besloot daarop alsnog tot vervolging over te gaan, maar de rechtbank verklaarde het OM niet-ontvankelijk omdat het vertrouwensbeginsel was geschonden. Het hoger beroep van het OM werd ingetrokken, waardoor het vonnis onherroepelijk werd. Vervolgens werd via een artikel 12 Wetboek Pro van Strafvordering-procedure het hof bevolen tot vervolging, maar de rechtbank oordeelde dat ondanks deze procedure het vertrouwen bij verdachte niet was doorbroken.
De rechtbank stelde vast dat het OM door haar handelswijze bij verdachte een gerechtvaardigd vertrouwen had gewekt dat hij niet vervolgd zou worden. Dit vertrouwen was door de latere procedure niet voldoende doorbroken, mede door het lange tijdsverloop en de communicatie van het OM. De rechtbank verklaarde het OM daarom niet-ontvankelijk. De civiele vordering van het slachtoffer werd eveneens afgewezen wegens het ontbreken van een opgelegde straf of maatregel.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens schending van het vertrouwensbeginsel.