Uitspraak
[betrokkene](hierna te noemen: betrokkene)
Rechtbank Gelderland
In deze zaak vorderde het openbaar ministerie dat betrokkene een bedrag van circa €155.666,- aan wederrechtelijk verkregen voordeel terugbetaalt dat door een B.V. was genoten. De rechtbank heeft de ontnemingsvordering onderzocht tijdens meerdere zittingen en daarbij ook het vonnis in de hoofdzaak betrokken.
De rechtbank heeft geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat betrokkene daadwerkelijk over het vermogen van de B.V. kon beschikken of dat hij voordeel heeft genoten van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Er ontbrak inzicht in de financiële structuur en geldstromen van de B.V., waardoor onvoldoende duidelijkheid bestond over de zeggenschap en het mogelijke voordeel van betrokkene.
Op grond van artikel 36e Wetboek van Strafrecht, dat de grondslag vormt voor ontnemingsvorderingen, heeft de rechtbank de vordering van het openbaar ministerie afgewezen. Hiermee werd betrokkene niet verplicht tot betaling van het gevorderde bedrag.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige economische kamer van de rechtbank Gelderland te Arnhem op 10 april 2014, waarbij betrokkene werd bijgestaan door zijn raadsman. Het vonnis benadrukt het belang van concrete bewijsvoering omtrent zeggenschap en voordeel bij toerekening van wederrechtelijk verkregen voordeel aan natuurlijke personen.
Uitkomst: De ontnemingsvordering wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van zeggenschap en voordeel van betrokkene.