Uitspraak
6 februari 2007.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van betrokkene tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 11 november 2005, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €959.722,39 uit oplichting werd toegewezen.
Betrokkene voerde onder meer een beroep op overschrijding van de redelijke termijn en stelde dat het hof had verzuimd te beslissen op een verzoek tot nader onderzoek. De Advocaat-Generaal adviseerde de verwerping van het beroep.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen gronden aanwezig waren voor ambtshalve vernietiging van het arrest. Daarom werd het cassatieberoep verworpen zonder nadere motivering, mede gelet op artikel 81 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Het arrest werd uitgesproken door de vice-president F.H. Koster als voorzitter en de raadsheren J.P. Balkema en J. de Hullu op 6 februari 2007.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.