Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
1.Ontstaan en loop van het geding
€ 7.692 aan overdrachtsbelasting aangegeven. Op 5 oktober 2012 zijn de op aangifte verschuldigde bedragen aan overdrachtsbelasting voldaan.
Rechtbank Gelderland
Eiseres heeft op 31 augustus 2012 twee onroerende zaken verkregen waarvoor overdrachtsbelasting is voldaan. Zij heeft een verzoek ingediend om deze percelen te rangschikken onder de Natuurschoonwet, maar de rangschikking werd pas op 16 april 2013 afgegeven, na de verkrijging. Eiseres stelde beroep in tegen de heffing van overdrachtsbelasting en voerde aan dat vrijstelling op grond van artikel 9a van de Natuurschoonwet of het Besluit van 29 juni 2011 van toepassing zou zijn.
De rechtbank oordeelt dat de vrijstelling op grond van artikel 9a NSW alleen geldt indien de onroerende zaak ten tijde van de verkrijging al gerangschikt is. Een latere rangschikking werkt niet terug voor vrijstelling. Het Besluit van 29 juni 2011 maakt een uitzondering mogelijk, mits aan vier voorwaarden wordt voldaan, waaronder dat het beroep op vrijstelling in de akte van verkrijging moet zijn gedaan en een kopie van het verzoek om rangschikking bij de akte moet zijn gevoegd. Deze voorwaarden zijn niet vervuld.
De rechtbank verklaart zich onbevoegd om op grond van de hardheidsclausule in artikel 63 AWR Pro tegemoet te komen, omdat dit een bevoegdheid van de Minister van Financiën is. Gezien deze overwegingen worden de beroepen van eiseres ongegrond verklaard. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen van eiseres tegen de heffing van overdrachtsbelasting worden ongegrond verklaard.