ECLI:NL:RBGEL:2014:6877

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
30 oktober 2014
Publicatiedatum
3 november 2014
Zaaknummer
AWB - 14 _ 267
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6 AwbArt. 8:24 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens onvoldoende en niet-overeenkomende volmacht in Wob-procedure

Eiser diende een verzoek in op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) bij de gemeente Renkum. Na een primair besluit en een bezwaarbesluit stelde eiser beroep in tegen het bestreden besluit. De gemachtigde van eiser overhandigde een volmacht die onvoldoende specifiek was en waarvan de handtekening niet overeenkwam met die van eiser op het oorspronkelijke Wob-verzoek.

De rechtbank wees de gemachtigde schriftelijk op deze discrepantie en verzocht om een nieuwe, correcte volmacht. Deze werd niet binnen de gestelde termijn aangeleverd, noch is er een geldige verklaring gegeven waarom dit niet mogelijk was. Tijdens de zitting verscheen eiser niet zelf en kon de gemachtigde niet aantonen dat hij bevoegd was om namens eiser op te treden.

De rechtbank concludeerde dat de volmacht niet toereikend was en dat het beroep daarom niet-ontvankelijk moest worden verklaard. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende en niet-overeenkomende volmacht.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 14/267

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Renkumte Oosterbeek, verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 26 april 2013 heeft eiser een verzoek om informatie ingediend met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob).
Bij besluit van 11 juni 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder op het verzoek van eiser beslist.
Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Bij besluit van 27 november 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder op het bezwaar van eiser beslist.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend, gedateerd op 11 maart 2014.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2014. Eiser is verschenen bij zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door M. van Poorten.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) – voor zover
hier van belang – kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan
aan enig bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep.
2. Op grond van artikel 8:24, eerste lid, van de Awb kunnen partijen zich laten bijstaan
of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. In het tweede lid is bepaald dat de
rechtbank van een gemachtigde een schriftelijke machtiging kan verlangen.
3. [gemachtigde] (hierna: [gemachtigde] ) heeft bij het door hem ingediende
beroepschrift als bijlage een kopie van een machtiging overgelegd, gedateerd op 7 oktober
2013, waaruit volgt dat hij gemachtigd is eiser te vertegenwoordigen in het kader
van bezwaar en beroep bij juridische geschillen, daaronder begrepen ook het met een besluit
gelijk te stellen niet tijdig nemen van een of meerdere besluiten, zowel buitengerechtelijk als
gerechtelijk, en al hetgeen te doen dat door de gemachtigde noodzakelijk wordt geacht.
Hieronder dient in ieder geval te worden begrepen het zo nodig aanwenden en intrekken van
beschikbare rechtsmiddelen, alsook het aannemen van bedragen zoals vergoedingen voor
proceskosten, griffierechten e.d., een en ander in de ruimste zin van het woord, aldus de
bedoelde machtiging.
4. Bij brief van 11 juli 2014 heeft de griffier van de rechtbank [gemachtigde] bericht dat
geconstateerd is dat de handtekening op de overgelegde machtiging van 7 oktober 2013 niet
overeenkomt met de handtekening op eisers Wob-verzoek van 26 april 2013. Gelet hierop is
[gemachtigde] in voornoemde brief verzocht om binnen een termijn van tien dagen, te rekenen
vanaf de dag van verzending, een nieuwe volmacht te overleggen, voorzien van een originele
handtekening van zijn cliënt, waarin hij specifiek wordt gemachtigd om namens hem beroep
in te stellen in de onderhavige zaak. Tevens is er in de brief op gewezen dat, indien niet aan
dit verzoek wordt voldaan, de mogelijkheid bestaat dat het beroep om die reden niet-
ontvankelijk zal worden verklaard.
5. De rechtbank stelt vast dat zij binnen de hierboven genoemde termijn geen nieuwe
machtiging heeft ontvangen van [gemachtigde] . Evenmin heeft [gemachtigde] feiten en
omstandigheden naar voren gebracht, waaruit zou moeten worden opgemaakt dat hij niet in
staat was tijdig de gevraagde machtiging te overleggen. De rechtbank kan aan de hand van
de door [gemachtigde] overgelegde machtiging van 7 oktober 2013 niet vaststellen dat [gemachtigde]
in beroep namens eiser optreedt en dat het de bedoeling van eiser is dat de
onderhavige procedure op zijn naam wordt gevoerd. Voornoemde machtiging is derhalve
niet toereikend. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiser niet ter zitting is
verschenen, zodat ook ter zitting niet te verifiëren viel of [gemachtigde] gemachtigd was om
namens eiser het beroepschrift in te dienen. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat
[gemachtigde] niet gemachtigd is om in beroep op te treden namens eiser. Dat [gemachtigde]
ter zitting alsnog een nieuwe volmacht heeft overgelegd, gedateerd op 15 juli 2014, waarin
gelezen kan worden dat hij in de onderhavige beroepsprocedure bevoegd is eiser te
vertegenwoordigen, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel, nu de hierop door eiser
geplaatste handtekening niet overeenkomt met de handtekening op de daarbij gevoegde
kopie van eisers paspoort, noch met de handtekening op eisers Wob-verzoek.
De verklaring van [gemachtigde] ter zitting dat eiser meerdere handtekeningen hanteert,
waaronder een vereenvoudigde digitale variant, biedt geen soelaas, nu de rechtbank, bij
gebreke aan onderbouwing van deze stelling, deze toelichting niet heeft kunnen toetsen,
hetgeen voor rekening en risico van [gemachtigde] komt. Ook het beroep op de door hem ter
zitting aangehaalde jurisprudentie slaagt niet, nu de desbetreffende zaken niet zien op een
discrepantie tussen de handtekening op de machtiging en de handtekening op het
overgelegde paspoort.
6. Het beroep dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.S.M. Bak, rechter, in tegenwoordigheid van mr. H.J.M. Fransen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.