4.5.Eisers betogen – bij wijze van tegenbewijs – dat het water dat op 12 april 2012 uit de hemelwaterafvoerbuis stroomde tijdelijk opgesloten slootwater en geen bedrijfsafvalwater was. Daartoe voeren zij met verwijzing naar de verklaringen ter zitting van getuige [naam getuige], onderhoudsmonteur bij het bedrijf, en deskundige [naam deskundige], aan dat de hemelwaterafvoerbuis op 4 april 2012 is afgedopt door het daarop aanbrengen van een kraan en het dichtzetten daarvan, toen de buis onder water stond na werking van de riooloverstort en was volgelopen met slootwater. Voorts betogen zij dat de op 4 april 2012 op de buis aangebrachte kraan op 11 en 12 april 2012 is opengezet om de buis leeg te laten lopen voor een camera-inspectie. Volgens eisers heeft het monster met LIMS-volgnummer 2012-05906 derhalve betrekking op tijdelijk opgesloten slootwater en niet op bedrijfsafvalwater.
De rechtbank acht de hiermee door eisers gegeven alternatieve verklaring voor het in het water uit de hemelwaterafvoerbuis aangetroffen gehalte aan DMM van 1000 microgram per liter om de volgende redenen ongeloofwaardig.
Eisers hebben ter zitting erkend dat de door hen overgelegde foto van de onder water staande hemelwaterafvoerbuis met dichte kraan, anders dan eerder betoogd, mogelijk niet is genomen op 5 april 2012, of naar eisers later niet uitgesloten hebben op 4 april 2012, maar pas in mei 2012. Reeds om die reden kan de betreffende foto niet bijdragen aan het bewijs dat de hemelwaterafvoerbuis op 4 april 2012 onder water stond.
Uit de neerslaggegevens van het weerstation Andel is af te leiden dat er in de periode van 12 maart tot en met 5 april 2012 in het betrokken gebied weinig regen is gevallen, namelijk 4 mm op 18 maart, 2 mm op 4 april en 0,4 mm op 5 april. In wat eisers hebben aangevoerd heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden om deze gegevens onvoldoende representatief te achten voor de neerslag in het betrokken gebied. Evenmin is gebleken van een zodanig aanbod van afvalwater op het rioolstelsel in de betreffende periode dat de riooloverstort vanwege tekortschietende pompcapaciteit van het rioolgemaal en bergingscapaciteit van het rioolstelsel in werking zou zijn getreden. Ook uit de door eisers aangedragen gegevens van onderzoeksbureau TAUW in Deventer volgt niet dat het aannemelijk moet worden geacht dat de hemelwaterafvoerbuis onder water heeft gestaan, waarvoor een stijging van het waterpeil in de sloot met 30 tot 35 cm ten opzichte van het normale waterpeil nodig was, toen de buis begin april werd afgedopt. Niet in geschil is overigens dat de hemelwaterafvoerbuis op 11 en 12 april 2012 niet onder water stond, hoewel uit de neerslaggegevens van het weerstation Andel is af te leiden dat het van 9 tot en met 12 april 2012 op alle dagen geregend heeft en dat er op 10 april 2012, de dag voorafgaand aan de luchtsurveillance in de ochtend van 11 april 2012, 9 mm regen is gevallen.
Dat de dam in de sloot tussen het peilvak BOM 178 aan de zijde van de riooloverstort en het lagere peilvak BOM 177 aan de zijde van de hemelwaterafvoerbuis in de periode van februari tot en met april 2012 niet peilscheidend was, hebben eisers niet aannemelijk kunnen maken. Eisers stellen zich niet langer op het standpunt dat de dam lek was, maar blijven bij hun standpunt dat de dam te laag was om peilscheidend te kunnen zijn. De als productie 111 bij het nadere verweerschrift van 3 oktober 2014 overgelegde zogenoemde Cyclorama-foto’s van 17 maart 2011 en 13 februari 2013 bevestigen echter het standpunt van verweerder dat de dam in de tussenliggende periode, op 14 mei 2012, door eisers is afgegraven en vervangen door een nieuwe, lagere, dam.
Aan de verklaring van getuige [naam getuige], die onder ede heeft verklaard dat hij begin april 2012 de hemelwaterafvoerbuis heeft afgedopt terwijl het waterpeil van de sloot zich boven deze buis bevond, hecht de rechtbank niet de betekenis die eisers daaraan willen toekennen.
Eisers hebben eerder verklaard dat [eiser 2] de buis op 5 april 2012 zelf heeft afgedopt naar aanleiding van het bedrijfsbezoek van het waterschap op die datum. Uit de bij het nader verweerschrift van 26 november 2013 als productie 103 overgelegde, in het proces-verbaal van het bedrijfsbezoek op 5 april 2012 als foto 7 benoemde, foto van 5 april 2012 om 14:38 uur van de sloot voor het bedrijf, is te zien dat het water in de sloot toen laag stond. Nadien hebben eisers verklaard dat [eiser 2] naar aanleiding van berichtgeving in onder meer het Brabants Dagblad van 28 maart 2012 over de verontreiniging, direct opdracht heeft gegeven om materiaal voor het afdoppen van de buis te kopen en dat [eiser 2] en [naam getuige] de buis samen op 4 april 2012 hebben afgedopt toen de buis onder water stond. Getuige [naam getuige] heeft ter zitting verklaard dat hij de buis begin april 2012 heeft afgedopt toen de buis onder water stond en heeft niet verklaard dat hij dat samen met [eiser 2] heeft gedaan, of dat [eiser 2] daarbij aanwezig was. Als de buis die hij heeft afgedopt, heeft hij desgevraagd de buis met schuifmof aangewezen, die te zien is op een foto van het waterschap van 27 april 2012. Hij heeft niet de buis met aangevormde mof aangewezen, die te zien is op een foto van het waterschap van 11 april 2012. Daarbij komt dat lijmen onder water, naar [eiser 1] desgevraagd ter zitting heeft verklaard, niet mogelijk is en dat het afdoppen van de buis onder water aanmerkelijk moeilijker is dan boven water. Ten slotte neemt de rechtbank in aanmerking dat [naam getuige] zich, als werknemer van het bedrijf, in een van eisers afhankelijke positie bevindt, alsmede dat de in het proces-verbaal van bevindingen van het bedrijfsbezoek van 12 april 2012 beschreven gang van zaken ertoe heeft geleid, dat [naam getuige] toen niet zijn verklaring, zoals weergegeven door de verbalisant van het waterschap, maar de door [eiser 2] geschreven verklaring, heeft ondertekend.
De verklaring van eisers dat de kraan weer opengezet is op 11 en 12 april 2012 ten behoeve van een camera-inspectie van de hemelwaterafvoerbuis op mogelijke aansluitingen, roept ook de nodige vragen op. Uit het als productie 8 bij het verweerschrift overgelegde controlerapport van toezichthouder [naam toezichthouder], naar aanleiding van het bedrijfsbezoek op 11 april 2012 omstreeks 15:15 uur, is af te leiden dat [eiser 2] toen heeft verklaard dat hij niet wist waarom er water werd geloosd uit de hemelwaterafvoerbuis en dat de kraan meestal dicht zat. Volgens de latere verklaring van eisers wist [eiser 2] echter wel waarom er water werd geloosd uit de hemelwaterafvoerbuis, namelijk voor de camera-inspectie. De camera-inspectie heeft op 2 mei 2012 plaatsgevonden. Niet zonder meer begrijpelijk is dan dat [eiser 2] de hemelwaterafvoerbuis al op 11 april 2012 wilde laten leeglopen, temeer omdat niet aannemelijk is gemaakt dat [eiser 2] toen al contact had met het bedrijf dat de camera-inspectie op 2 mei 2012 heeft uitgevoerd.
De conclusie is dat eisers niet in het bewijs zijn geslaagd dat het op 12 april 2012 genomen monster van het water uit de hemelwaterafvoerbuis betrekking had op tijdelijk opgesloten slootwater en niet op rechtstreeks van het bedrijf afkomstig afvalwater. Het betoog van eisers slaagt daarom niet.