Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 maart 2015
[verzoeker], verzoeker
(gemachtigde: mr. M.F. van der Mersch).
Procesverloop
Overwegingen
‘(…) Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken (zie o.a. CRvB 03‐07‐2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16‐04‐2008, nr. 06/4668 WVG, CRvB 14‐07‐2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16‐08‐2012, nr. AWB 11/5564). Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt (zie CRvB 17‐11‐2009, nr. 08/3352 WMO). De beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een rol spelen:
gebruikelijk worden geacht?
De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat verweerder op grond van artikel 3.3 van de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Montferland 2015 (hierna: de Beleidsregels) de eerste 3 uur huishoudelijke hulp per week als algemeen gebruikelijk heeft aangemerkt.
De vraag of de situatie van verzoeker al dan niet schrijnend is, heeft immers niets van doen met de door verweerder in zijn beleid gehanteerde definitie van algemeen gebruikelijk en de uitleg die daaraan in de door verweerder zelf vermelde jurisprudentie wordt gegeven.
Anders dan door verweerder ter zitting is betoogd, is de voorzieningenrechter niet gebleken dat een op de persoon van verzoeker toegespitst onderzoek heeft plaatsgevonden.
Het bovenstaande leidt de voorzieningenrechter tot het voorlopig oordeel dat verweerder niet heeft voldaan aan het bepaalde in art 11, eerste lid, aanhef onder d van de Verordening door zonder meer te concluderen dat de eerste 3 uur algemeen gebruikelijk zijn. Dit heeft tot gevolg dat het primaire besluit II een deugdelijke grondslag ontbeert en het geen stand zal kunnen houden.
Voor zover in verweerders Beleidsregels vermeld staat dat schoonmaakwerk in het geheel niet meer wordt versterkt op grond van de Wmo 2015 (zie artikel 3.3. van de Beleidsregels) kan de voorzieningenrechter dit standpunt voorshands evenmin volgen. Immers, het schoonmaken van de woning moet als een algemene dagelijkse levensverrichting (ADL) worden gezien. Bij gebreke aan een schoon huis bestaat er een risico op vervuiling en aantasting van de gezondheid. Als zodanig vormt een schoon huis een voorwaarde om te kunnen blijven functioneren in de eigen leefomgeving als bedoeld in artikel 2.3.5. derde lid, van de Wmo 2015. Dat brengt mee dat verzoeker die, zoals onbestreden is, niet zelf (de regie over) zijn huishouden kan voeren, niet zelfredzaam is (lees: ADL zelfstandig) als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wmo 2015.
Beslissing
- schorst het primaire besluit II tot zes weken na verzending van het besluit op bezwaar;
- bepaalt dat verweerder aan verzoeker met onmiddellijke ingang de voorziening toekent van huishoudelijke hulp voor 2 uur en 30 minuten per week;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker ten bedrage van € 980,-;
- gelast dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht groot € 45,- aan hem vergoedt.