Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 24 maart 2015
Stichting [X], te [Z], eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor ’s-Hertogenbosch, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
- het organiseren van culturele evenementen op een overheidsonafhankelijke economische basis en al hetgeen daarmee in de ruimste zin van het woord verband houdt;
- het bevorderen van het kunstklimaat, mede door het buiten de nationale geboorte-, woon- en werkgrenzen van kunstenaars onder de aandacht brengen van hun kunstwerken;
- het (doen) vormen en onderhouden van een fonds voor het initiëren van gerichte activiteiten, zoals collectieverwerving, het produceren van publicaties, het organiseren van tentoonstellingen en het (doen) organiseren van overige evenementen en activiteiten die tot een beter begrip van de al dan niet verzamelde en tentoongestelde kunstvoorwerpen kunnen bijdragen;
- het doen van al hetgeen met het vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn.
- het in- en verkopen van hedendaagse kunst, in de ruimste zin van het woord;
- het (doen) organiseren van culturele evenementen;
- zowel nationaal als internationaal – al datgene te doen of te laten – verrichten wat naar het oordeel van haar bestuur noodzakelijk, nuttig en/of gewenst is.(…)
3.4 Geen van de bestuurders kan over het vermogen van de stichting beschikken als ware het zijn eigen vermogen. (…)
Een instelling wordt door de inspecteur aangemerkt als een algemeen nut beogende instelling indien en zolang:
(…)
“Op grond van het eerste lid, onderdeel c, van artikel 1a van de UR AWR 1994 moet uit de regelgeving van de instelling en uit de feiten blijken dat geen enkele persoon (natuurlijke persoon of rechtspersoon) over het vermogen van de instelling kan beschikken als ware het zijn eigen vermogen. Hiermee wordt bedoeld dat niemand daarover mag beschikken ten behoeve van zichzelf, buiten de algemeen nuttige doelstelling. Dit beschikkingsmachtcriterium strekt er niet toe het de leden van het beleidsbepalende orgaan onmogelijk te maken beschikkingshandelingen te verrichten in het kader van de doelstelling van de instelling. Het bestuur van een ANBI mag wel over het vermogen van een andere ANBI kunnen beschikken wanneer dat past binnen de doelstelling van beide ANBI’s. Te denken valt aan een museum dat zijn collectie heeft ondergebracht in een aparte stichting. Het criterium beoogt onder meer de onafhankelijkheid van de instelling tegenover haar donateurs en begunstigden te waarborgen. De beperking van de beschikkingsmacht geldt voor het gehele vermogen van de instelling. Omdat het beschikkingsmachtcriterium geldt voor alle natuurlijke personen en rechtspersonen, is het criterium ook van toepassing op de leden van het orgaan van de instelling dat het beleid bepaalt.”
“Op grond van onderdeel c dient uit de regelgeving van de instelling en de feiten te blijken dat een natuurlijk persoon, noch een rechtspersoon over het vermogen van de instelling kan beschikken als ware het zijn eigen vermogen. Dit "beschikkingsmachtcriterium" beoogt onder meer de onafhankelijkheid van de instelling jegens haar donateurs en begunstigden te waarborgen. Dit impliceert dat de inspecteur inzage moet kunnen hebben in informatie die bij de instelling redelijkerwijs beschikbaar kan zijn met betrekking tot donateurs en begunstigden. De onafhankelijkheid moet als gezegd niet alleen blijken uit de regelgeving van de instelling, maar ook uit de feitelijke omstandigheden. Op grond van de regelgeving van de instelling, noch op grond van de feiten mag een natuurlijk persoon of rechtspersoon dan ook een meerderheid van de zeggenschap hebben binnen een instelling. (…).”
Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;