Eiseres ontving een Ziektewet- en Wazo-uitkering die door verweerder werd ingetrokken op grond van het standpunt dat geen dienstverband met de budgethouder bestond. Verweerder baseerde dit op vermoedens en een rapport waarin werd gesteld dat eiseres niet als zorgverlener werkzaam was geweest.
Eiseres stelde dat zij vanaf 1 maart 2009 in dienst was van de budgethouder op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, met een overeengekomen arbeidsduur en salaris. Zij voerde aan dat zij feitelijk meer uren werkte dan contractueel was vastgelegd.
De rechtbank oordeelde dat verweerder niet had voldaan aan de bewijslast om aan te tonen dat er geen dienstverband was. Het rapport van de inspecteur was onvoldoende onderbouwd en verweerder had geen feiten aangedragen die aannemelijk maakten dat de dienstbetrekking ontbrak. Ook ontbrak een onderbouwing dat een gezagsverhouding ontbrak of dat de loonbetaling niet had plaatsgevonden.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en herroept de intrekkingsbesluiten. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.