ECLI:NL:RBGEL:2015:4325

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
2 juli 2015
Publicatiedatum
1 juli 2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 8495
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Besluit kinderopvangtoeslagArt. 3 Besluit kinderopvangtoeslagArt. 6:19 AwbArt. 6:22 AwbArt. 8:74 Awb
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling kinderopvangtoeslag en proceskostenvergoeding na bezwaar en beroep

Eiseres maakte bezwaar tegen de vaststelling van haar kinderopvangtoeslag over 2011. Na een eerste besluit van verweerder volgde een nieuw besluit waarin de toeslag werd verhoogd, maar eiseres was het niet eens met het bedrag van €5.029 en stelde dat dit €5.112 had moeten zijn. De kern van het geschil betrof de vraag welk kind in welke periode als 'eerste kind' moest worden aangemerkt voor de toeslagberekening.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht per maand bepaalt welk kind als eerste kind wordt aangemerkt, en dat het jongste kind voor januari tot en met augustus 2011 meer uren kinderopvang had, waardoor het bedrag van €5.029 correct is vastgesteld. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen concrete toezegging was gedaan over het hogere bedrag.

Verder werd vastgesteld dat eiseres ten onrechte niet is gehoord voorafgaand aan de besluiten, maar dit gebrek kon worden gepasseerd gezien de omstandigheden en het feit dat het eerste besluit was ingetrokken. De rechtbank wees een proceskostenvergoeding toe van €1.073 aan eiseres, bestaande uit rechtsbijstand, verlet- en reiskosten, en wees het griffierecht van €45 toe.

Het beroep tegen het eerste besluit werd niet-ontvankelijk verklaard omdat dit besluit was ingetrokken. Het beroep tegen het tweede besluit werd ongegrond verklaard. De uitspraak bevestigt de zorgvuldige toepassing van het Besluit kinderopvangtoeslag en de Awb-procedures.

Uitkomst: Het beroep tegen het eerste besluit is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond; de kinderopvangtoeslag is vastgesteld op €5.029 en verweerder is veroordeeld tot proceskostenvergoeding van €1.073.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 14/8495

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. drs. H.W.G. de Klein),
en

Belastingdienst/Toeslagen, te Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 31 december 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de kinderopvangtoeslag van eiseres over het berekeningsjaar 2011 definitief vastgesteld op € 3.731. Daarbij dient eiseres € 1.538 aan onterecht ontvangen voorschot terug te betalen.
Bij brief van 27 oktober 2014 heeft verweerder aangegeven aan het bezwaar van eiseres tegemoet te zullen komen en een besluit met een nieuwe definitieve berekening van de kinderopvangtoeslag te hebben genomen.
Bij besluit van 15 januari 2015 (het bestreden besluit I) heeft verweerder de kinderopvangtoeslag, opnieuw, definitief vastgesteld op € 4.355. Hierbij is het te weinig uitgekeerde bedrag, inclusief rente, van € 671 toegekend aan eiseres.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld.
Eiseres heeft een nader stuk ingediend.
Bij besluit van 22 mei 2015 (het bestreden besluit II) heeft verweerder een herziene beslissing op bezwaar genomen. Hierbij heeft verweerder aangegeven dat de kinderopvangtoeslag definitief zal worden vastgesteld op € 5.029.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Remers.

Overwegingen

Ontvankelijkheid beroep
1. De rechtbank moet eerst ambtshalve de ontvankelijkheid van het beroep beoordelen. Nu de rechtbank het beroepschrift vóór de datum van het bestreden besluit I heeft ontvangen is sprake van een prematuur beroepschrift. Echter, gelet op de inhoud van de brief van verweerder van 27 oktober 2014 kon eiseres menen dat verweerder reeds een beslissing had genomen. De rechtbank zal het beroep van eiseres dan ook als zodanig behandelen.
Ten aanzien van het bestreden besluit I
2. Op grond van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft een beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
2.1
Nu verweerder het bestreden besluit I heeft vervangen door bestreden besluit II, acht de rechtbank bestreden besluit I door verweerder ingetrokken. Daar eiseres geen belang meer heeft bij de beoordeling van haar beroep voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit I, is dat beroep niet-ontvankelijk. Wel bestaat hierin aanleiding om verweerder in proceskosten van eiseres te veroordelen.
Nu met het bestreden besluit II niet wordt tegemoetgekomen aan het beroep van eiseres zal de rechtbank het beroep daartegen hieronder beoordelen.
Ten aanzien van het bestreden besluit II
3. Eiseres kan zich niet verenigingen met het bestreden besluit II. Hiertoe stelt zij zich, kort gezegd, op het standpunt dat de definitieve kinderopvangtoeslag op € 5.112 zou moeten worden vastgesteld in plaats van op € 5.029. Zoals ter zitting besproken wordt het verschil veroorzaakt door een verschil van mening over de vraag welk kind in welke periode als ‘eerste kind’ moet worden aangemerkt.
3.1
Ingevolge artikel 2 van Pro het Besluit kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen in kosten kinderopvang, thans: Besluit kinderopvangtoeslag, (hierna: het Besluit), wordt de hoogte van de kinderopvangtoeslag voor iedere kalendermaand afzonderlijk bepaald.
Ingevolge artikel 3, tweede lid, van het Besluit, wordt het kind met het hoogste aantal uren kinderopvang voor de berekening van de hoogte van de kinderopvangtoeslag als eerste kind beschouwd.
3.2
In het bestreden besluit II en ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de hoogte van de kinderopvangtoeslag per maand wordt bepaald. Om die reden wordt ook per maand bepaald welk kind als ‘eerste kind’ moet worden aangemerkt. Daarbij heeft verweerder voor de periode januari tot en met augustus 2011 het jongste kind van eiseres als eerste kind beschouwd nu voor haar in deze periode meer uren kinderopvang zijn afgenomen dan voor het oudste kind van eiseres. Gelet op artikel 2 en Pro artikel 3 van Pro het Besluit is de rechtbank van oordeel dat verweerder de kinderopvangtoeslag terecht op € 5.029 heeft vastgesteld.
Voor zover eiseres een beroep doet op het vertrouwensbeginsel, inhoudend dat zij mocht vertrouwen op de brief van 27 oktober 2014 waarin verweerder heeft aangegeven aan het bezwaar van eiseres tegemoet te zullen komen, kan dit niet tot een ander oordeel leiden. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (onder meer de uitspraak van 5 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2087) is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Verweerder is aan het bezwaar tegemoetgekomen door de door eiseres aangeleverde gegevens aan de berekening ten grondslag te leggen. Van een concrete toezegging van het bedrag € 5.112 is niet gebleken.
4. Wat betreft het betoog van eiseres dat zij, nu verweerder niet volledig tegemoet is gekomen aan haar bezwaar, ten onrechte niet gehoord is, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank kan eiseres volgen in haar betoog dat zij in de bezwaarfase gehoord had moeten worden. Dit gebrek geldt voor beide bestreden besluiten. Echter, gelet op de omstandigheid dat bestreden besluit I is ingetrokken, het daartegen gerichte beroep niet-ontvankelijk is en een proceskostenveroordeling zal volgen, behoeft de vraag welke consequenties moeten worden verbonden aan het niet horen voorafgaand aan bestreden besluit I, geen bespreking.
Wel behoeft bespreking welke consequenties het heeft dat verweerder eiseres ook niet heeft gehoord voorafgaand aan het nemen van bestreden besluit II. In dat verband is van belang dat op het moment dat verweerder het inzicht kreeg dat het bestreden besluit I niet langer gehandhaafd kon worden, de zitting bij de rechtbank met betrekking tot bestreden besluit I voor slechts enkele dagen later gepland stond. Nu verweerder met het bestreden besluit II in grote mate aan het bezwaar van eiseres is tegemoet gekomen en zij binnen enkele dagen bij de rechtbank kon worden gehoord, is niet aannemelijk dat eiseres in haar belangen is geschaad door de beslissing van verweerder om bestreden besluit I te vervangen zonder eiseres voor een hoorzitting uit te nodigen. Het gebrek kan hierom met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb worden gepasseerd.
5. Verweerder heeft in het bestreden besluit II verder aangegeven aan eiseres een vergoeding van € 487 toe te kennen voor de gemaakte kosten van rechtsbijstand in verband met de behandeling van haar bezwaar. Eiseres heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat deze vergoeding € 490 zou moeten bedragen. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Ingevolge artikel IV, vierde lid, van de Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 12 december 2014, nr. 591110, tot indexering van bedragen in de Awb, het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) en de Wet griffierechten burgerlijke zaken, blijft het vóór 1 januari 2015 geldende tarief voor 1 punt op grond van het Bbp, € 487, gelden indien een bezwaarschrift vóór die datum is ingediend. Het bezwaarschrift van eiseres, gedagtekend 5 januari 2014, is bij verweerder binnengekomen op 8 januari 2014. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uitgaande van die datum de vergoeding op € 487 moet worden vastgesteld in plaats van op € 490, het nieuwe tarief voor 1 punt vanaf 1 januari 2015.
6. Het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit II is gelet op het voorgaande ongegrond.
Proceskostenvergoeding
7. Nu verweerder het bestreden besluit I, waartegen het beroep in eerste instantie was gericht, heeft ingetrokken, ziet de rechtbank aanleiding verweerder tevens in de door eiseres in beroep gemaakte proceskosten te veroordelen. Deze kosten bestaan uit rechtsbijstand, verletkosten en de reiskosten van eiseres voor het bijwonen van de zitting van 1 juni 2015.
7.1
De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake is van bijzondere omstandigheden die een integrale proceskostenvergoeding rechtvaardigen. De rechtbank wijst het daartoe strekkende verzoek daarom af en zal de proceskosten berekenen volgens de forfaitaire normen, zoals neergelegd in het Bpb. De rechtbank stelt de kosten voor de verleende rechtsbijstand vast op € 980 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490 en met een wegingsfactor 1). Er is geen sprake van een dermate complexe zaak dat die een hogere wegingsfactor rechtvaardigt. De vergoeding voor verletkosten wordt vastgesteld op € 80. De reiskosten worden op basis van openbaar vervoer tweede klas vastgesteld op een bedrag van € 13. Van verdere voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken. De rechtbank stelt de totale proceskostenvergoeding daarmee vast op € 1.073.
8. Tevens dient toepassing te worden gegeven aan artikel 8:74 van Pro de Awb.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit I van 15 januari 2015 niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit II van 22 mei 2015 ongegrond;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres in beroep tot een bedrag van € 1.073;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45 aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Vader, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:
griffier
Rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.