Eiser kreeg een maatregel opgelegd waarbij zijn bijstand met 100% werd verlaagd voor twee maanden wegens het zonder tegenbericht niet verschijnen op gesprekken. Verweerder baseerde dit op het niet verschijnen op afspraken op 22 en 27 mei 2014. Eiser betwistte dit en verwees naar zijn depressiviteit en gezondheidsklachten die hem belemmerden.
De rechtbank stelde vast dat eiser zich op 22 mei telefonisch afmeldde, waardoor geen sprake was van verzuim op die datum. Dit ondermijnt de grondslag van de maatregel. Ten aanzien van het niet verschijnen op 27 mei overwoog de rechtbank dat verweerder bekend was met de geestelijke gezondheid van eiser en dat er onvoldoende onderzoek was gedaan naar de verwijtbaarheid van het gedrag.
De rechtbank oordeelde dat verweerder had moeten onderzoeken of het niet nakomen van afspraken inherent was aan het ziektebeeld van eiser. Omdat dit niet is gebeurd, houdt de maatregel geen stand. Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.