Eisers exploiteren een bungalowpark en voerden aan dat de bestemmingsplanherziening van 2006, die beperkingen stelde aan de oppervlakte en het ondergronds bouwen van recreatiewoningen, tot aanzienlijke planschade heeft geleid. Verweerder kende reeds een tegemoetkoming van €187.500 toe, maar eisers stelden dat dit bedrag onvoldoende was en eisten een vergoeding van €3.586.050.
De rechtbank onderzocht de planologische situatie voor en na de herziening. Centraal stond de interpretatie van het begrip 'oppervlakte' van recreatiewoningen en de vraag of ondergronds bouwen onder het oude planologisch regime onbeperkt was toegestaan. De rechtbank oordeelde dat 'oppervlakte' betrekking heeft op de woonoppervlakte en dat ondergronds bouwen niet leidde tot een groter woonoppervlak dan toegestaan.
Verder concludeerde de rechtbank dat de nieuwe bouwvoorschriften geen nadelige beperkingen bevatten ten opzichte van het oude plan en dat de reeds toegekende vergoeding passend was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.