Verzoeker stelde dat hij recht had op vergoeding van proceskosten omdat zijn familielid, een gemachtigde, beroepsmatige rechtsbijstand had verleend bij WOZ-geschillen. De rechtbank onderzocht of de werkzaamheden van de gemachtigde een beroepsmatig karakter hadden. Hoewel de gemachtigde een eenmanszaak had ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en een factuur had verzonden, was zijn inschrijving tot kort geleden als ingenieur/stedebouwkundig adviseur en was zijn opleiding tot makelaar nog niet voltooid.
De rechtbank vond dat de werkzaamheden van de gemachtigde onvoldoende duurzaam en gericht op het vergaren van inkomen waren om als beroepsmatige rechtsbijstand te kwalificeren. De meeste bijstand was aan familieleden verleend en er was geen aantoonbare inspanning om derden als klanten te werven. Hierdoor werd het verzoek tot integrale proceskostenvergoeding afgewezen.
Wel werden reis- en verletkosten van verzoeker vergoed, omdat zijn aanwezigheid bij de zitting het gevolg was van miscommunicatie tussen partijen en de rechtbank. Daarnaast werd het griffierecht vergoed omdat verweerder pas in de beroepsfase tegemoet was gekomen. De totale proceskostenvergoeding bedroeg € 415,63, exclusief het griffierecht van € 180.
De uitspraak werd gedaan door de rechtbank Gelderland op 14 januari 2016, waarbij partijen niet aanwezig waren, maar verzoeker toch ter zitting verscheen en schriftelijke afdoening instemde.