Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 1 maart 2016
op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
[X] , te [Z] , verzoeker,
Procesverloop
- verklaart de tegen de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2006 tot en met 2009 gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- verklaart het beroep tegen de aanslag Zvw 2009 niet-ontvankelijk;
- stelt het belastbaar inkomen uit werk en woning over het jaar 2006 vast op € 31.425;
- stelt het belastbaar inkomen uit werk en woning over het jaar 2008 vast op € 30.645;
- bepaalt het belastbaar inkomen uit werk en woning over het 2009 wordt verminderd overeenkomstig hetgeen hiervoor onder 24. is overwogen;
- bepaalt dat de boetebeschikkingen verminderd worden overeenkomstig hetgeen hiervoor onder 9., 26. en 28. is overwogen;
- bepaalt de beschikkingen heffingsrente overeenkomstig de verminderingen van aanslagen IB/PVV 2006, 2008 en 2009 worden verminderd;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.826,25;
- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 42 vergoedt;
- bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder zaaknummers AWB 14/4490, 14/4491, 14/4492, 14/4493, 14/4494, 14/4496, 14/4499, 14/4500, 14/4502 en 14/4503 ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent het verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn en merkt tevens de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.”
Overwegingen
Beslissing
- veroordeelt de Belastingdienst om aan verzoeker een bedrag aan immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn te betalen tot een bedrag van € 500;
- veroordeelt de Staat om aan verzoeker een bedrag aan immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn te betalen tot een bedrag van € 1.000;
- veroordeelt de Belastingdienst in de ene helft van de proceskosten van verzoeker ten bedrage van € 372;
- veroordeelt de Staat in de andere helft van de proceskosten van verzoeker ten bedrage van € 372.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;