Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 3 maart 2016
[X] , te [Z] , eiseres,
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Almere, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Stb.2011/640). Bij de vereenvoudiging van het fiscale partnerbegrip (Wet van 23 december 2009 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale vereenvoudigingswet 2010),
Stb.2009/611) is de bedoeling van de wetgever geweest om aan te sluiten bij objectieve criteria (
Kamerstukken II2009/10, 32 130, nr. 3, p. 25).
Aanhangsel Handelingen II2011/12, 2517) en de latere aanpassing van de wettelijke voorwaarden om in aanmerking te komen voor het kindgebonden budget en de kinderopvangtoeslag, heeft de wetgever onder ogen gezien dat de objectieve criteria voor het fiscale partnerbegrip onbedoelde gevolgen kunnen hebben. Ten aanzien van het kindgebonden budget (
Kamerstukken II2013/14, 33 753, nr. 3, p. 13-14) en de kinderopvangtoeslag zijn vervolgens aanpassingen doorgevoerd (
Kamerstukken II2013/14, 33 753, nr. 3, p. 14 en
Kamerstukken II2013/14, 33 753, nr. 7, p. 18-19). Over de kinderopvangtoeslag is door de wetgever het volgende opgemerkt (
Kamerstukken II2013/14, 33 753, nr. 3, p. 14):
Kamerstukken II2011/12, 33 004, nr. 3 p. 2-3) en daarvan in het onderhavige geval geen sprake is, eiseres geen recht heeft op de inkomensafhankelijke combinatiekorting en de alleenstaande-ouderkorting. De rechtbank moet rechtspreken op basis van de wet en mag in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van die wet beoordelen (zie artikel 11 van Pro de Wet algemene bepalingen 1829). Een verzoek om van de wet af te wijken omdat sprake is van een zogenoemde onbillijkheid van overwegende aard kan alleen met een beroep op de hardheidsclausule worden ingediend bij de staatssecretaris, zoals eiseres ook heeft gedaan. Voor zover het beroep van eiseres mede moet worden opgevat als te zijn gericht tegen de afwijzing van haar verzoek om toepassing van de hardheidsclausule kan het niet tot het door haar gewenste gevolg leiden aangezien tegen een dergelijke afwijzing geen beroep openstaat. Ten slotte is niet in geschil dat van een op zuiver commerciële gronden stoelende betrekking tussen eiseres en haar moeder (zie
Kamerstukken II2011/12, 33 004, nr. 3 p. 2-3) in dit geval geen sprake is. Het beroep van eiseres kan in zoverre niet slagen.
Beslissing
mr.drs. O.D. Heitling, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 3 maart 2016
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;