ECLI:NL:HR:2003:AF2996
Hoge Raad
- Cassatie
- E. Korthals Altes
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- A.R. Leemreis
- C.J.J. van Maanen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing beroep op vertrouwensbeginsel bij belastingaanslag privégebruik auto
Belanghebbende was in 1997 in loondienst en kreeg een personenauto van zijn werkgever ter beschikking gesteld. Voor dat jaar werd een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 150.964. Belanghebbende had in eerdere jaren (1994-1996) het belastbare bedrag voor privégebruik van de auto berekend op 20% van de catalogusprijs, waarbij hij de Inspecteur hierover in januari 1996 had geïnformeerd en een beroep deed op het gelijkheidsbeginsel.
De Inspecteur had de voorlopige aanslag 1994 verminderd overeenkomstig deze berekening, maar stelde later de definitieve aanslag niet vast. Voor de jaren 1995 en 1996 werden de aanslagen conform de door belanghebbende ingediende aangiften vastgesteld. In geschil was of belanghebbende op grond van deze gedragslijn mocht vertrouwen dat ook voor 1997 het belastbare bedrag op dezelfde wijze zou worden berekend.
Het Hof oordeelde dat geen sprake was van een in rechte te beschermen vertrouwen, omdat de Inspecteur geen weloverwogen standpunt had ingenomen en er geen overleg had plaatsgevonden over de brief van januari 1996. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat het enkel volgen van aangiften en voorlopige aanslagen onvoldoende is voor een beroep op het vertrouwensbeginsel. Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de proceskosten worden niet aan belanghebbende opgelegd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt afgewezen.