ECLI:NL:RBGEL:2016:2698

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
26 april 2016
Publicatiedatum
19 mei 2016
Zaaknummer
16_2062 en 16_2063
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorzieningen tegen omgevingsvergunningen kappen bomen en aanleg uitwegen

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bronckhorst waarbij omgevingsvergunningen zijn verleend voor het kappen van 13 lindes en het aanleggen van uitwegen ten behoeve van een nieuwe weg. De voorzieningenrechter heeft de verzoeken om voorlopige voorzieningen behandeld en beoordeeld of verzoekster als belanghebbende kan worden aangemerkt.

De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekster geen rechtspersoonlijkheid bezit en onvoldoende herkenbaar is in het rechtsverkeer, mede omdat slechts sprake is van een eenmalige bijdrage van burgers zonder contributie of ledenbestand. Hierdoor wordt verwacht dat verweerder het bezwaar niet ontvankelijk zal verklaren. Wel dient verweerder nader onderzoek te doen naar de belanghebbendheid van de personen die bezwaar hebben gemaakt.

Ten aanzien van de omgevingsvergunning voor het aanleggen van uitwegen zijn geen inhoudelijke bezwaren aangevoerd die schorsing rechtvaardigen. Voor het kappen van de lindes is vastgesteld dat een deel reeds is gekapt, waardoor het spoedeisend belang ontbreekt. De overige bomen zijn volgens de voorzieningenrechter niet onzorgvuldig beoordeeld door verweerder, aangezien verzoekster haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd.

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De verzoeken om voorlopige voorziening worden afgewezen wegens onvoldoende belanghebbendheid en gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 16/2062 en 16/2063

uitspraak van de voorzieningenrechter van

op de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken tussen
[verzoekster 2], te [woonplaats], verzoekster,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bronckhorst, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam], te [vestigingsplaats].

Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2016 heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van 13 lindes ten behoeve van een nieuwe weg.
Bij besluit van 4 februari 2016 heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het maken van uitwegen aan een nieuw te realiseren weg.
Verzoekster heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen in de omgevingsvergunning voor het kappen (zaak nummer AWB 16/2063) en in de omgevingsvergunning voor het aanleggen van uitwegen (zaak nummer AWB 16/2062).
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2016. Namens verzoekster zijn verschenen P. Kok, voorzitter, en J. Schwarz, secretaris/penningmeester van de Commissie. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door G. Knoef, L. Heringa en H. Annevelink. Namens derde-partij zijn verschenen G.J. Janssen Reinen en ir. P. Engelen, bijgestaan door mr. M. Bos.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
3. De voorzieningenrechter verwacht niet dat het bezwaarschrift van P. Kok, voor zover dat door hem is ingediend als natuurlijk persoon, door verweerder ontvankelijk zal worden verklaard, gelet op de grote afstand tussen zijn woning in [woonplaats] en de te kappen lindes en aan te leggen uitwegen.
4. Ten aanzien van de belanghebbendheid van verzoekster als rechtspersoon of andere entiteit overweegt de voorzieningenrechter dat uiterlijk tijdens de bezwaartermijn of, in geval van rechtstreeks beroep, de beroepstermijn, aan de eis van belanghebbendheid kan worden voldaan. De bezwaartermijn voor de bestreden besluiten van 27 januari 2016 en 4 februari 2016 eindigde op 9 maart respectievelijk 17 maart 2016. Bepalend voor de beoordeling van de belanghebbendheid van verzoekster is dus de situatie op uiterlijk 9 maart dan wel 17 maart 2016.
5. Ter zitting is gebleken dat verzoekster niet over rechtspersoonlijkheid beschikt. Om belanghebbende te kunnen zijn in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, hoeft verzoekster geen rechtspersoon te zijn. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), onder meer de uitspraken van 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2348, en 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1439, is de hoedanigheid van belanghebbende in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb niet voorbehouden aan natuurlijke personen en rechtspersonen, maar kunnen ook andere entiteiten als belanghebbende worden aangemerkt. Gelet op de woorden "degene wiens", opgenomen in dat artikellid, wordt aan deze andere entiteiten de eis gesteld dat zij herkenbaar zijn in het rechtsverkeer.
6. In dat verband is van belang dat verzoekster ter zitting heeft gesteld dat 133 burgers middels het ter zitting overgelegde intekenformulier een eenmalige bijdrage hebben toegezegd in de kosten van procedures. Hieruit blijkt niet dat er op regelmatige basis contributie wordt betaald. Uit dat intekenformulier blijkt evenmin dat een intekenaar zich verbindt als lid van een organisatie. Van een ledenbestand is ook anderszins niet gebleken.
Het enige aanknopingspunt dat er is om een in het rechtsverkeer herkenbare entiteit aan te nemen is dat verzoekster een bestuur heeft, ook al is niet duidelijk van wat voor samenwerkingsverband. Dat is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter te weinig om van een in het rechtsverkeer herkenbare entiteit te kunnen spreken. De voorzieningenrechter verwacht dat verweerder verzoekster in het besluit op bezwaar in deze hoedanigheid niet ontvankelijk zal achten.
7. Mede gelet op de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 20 april 2016, zaaknummer 201600826/2/R2 (gepubliceerd op www.raadvanstate.nl), waarbij het besluit van de raad van de gemeente Bronckhorst van 17 december 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "[vestigingsplaats], herziening [locatie]" deels is geschorst, en waarin ten aanzien van het bij de Afdeling door P. Kok en anderen tegen het bestemmingsplan ingestelde beroep wordt overwogen, dat onder deze groep verzoekers personen zijn die op relatief korte afstand tot het in die zaak bestreden planonderdeel wonen en/of vanuit hun woningen zicht zullen hebben op het in dit planonderdeel mogelijk gemaakte vrieshuis, concludeert de voorzieningenrechter dat verweerder in de besluitvorming op bezwaar nader onderzoek zal moeten verrichten naar de belanghebbendheid van de personen die bezwaar hebben gemaakt.
Vooralsnog valt niet uit te sluiten dat, mede gelet op die uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling, in deze zaak het bezwaarschrift, voor zover ingediend door één of meer van deze personen, ontvankelijk zal zijn. Het ligt op de weg van verweerder hiernaar nader onderzoek te doen.
8. Met betrekking tot de omgevingsvergunning voor het maken van uitwegen overweegt de voorzieningenrechter dat hiertegen geen inhoudelijk onderbouwde gronden zijn aangevoerd, anders dan dat het verstandig is met deze werkzaamheden te wachten totdat duidelijk is of en in welke vorm het vrieshuis gerealiseerd zal worden. De voorzieningenrechter ziet hierin geen aanleiding om de betreffende omgevingsvergunning te schorsen. Hij acht daarbij van belang dat het planonderdeel waarin de weg ligt niet is geschorst door de voorzieningenrechter van de Afdeling en dat het vorige bestemmingsplan “[vestigingsplaats], [naam]” de aanleg van deze weg ook al mogelijk maakte.
9. Ten aanzien van de omgevingsvergunning voor het kappen van een aantal lindes stelt de voorzieningenrechter allereerst vast dat ter zitting is gebleken dat een aantal lindes al is gekapt. In zoverre bestaat geen spoedeisend belang meer bij het treffen van een voorlopige voorziening.
10. De voorzieningenrechter heeft met betrekking tot de overige bomen voorshands onvoldoende aanknopingspunten om de besluitvorming van verweerder, gebaseerd op het Beoordelingsformulier kapaanvraag van 12 januari 2016 en de bomeneffectanalyse van Expedo Arbori van 29 juni 2015, onzorgvuldig te achten. Verzoekster heeft haar betoog, dat de bomen een grotere waarde hebben dan door verweerder wordt aangenomen, dat zij zich niet kan verenigen met de bomeneffectanalyse en dat er voorzieningen aangebracht kunnen worden waarbij de bomen beschermd kunnen worden tegen schade door vrachtverkeer, niet nader onderbouwd, bijvoorbeeld met het advies van een deskundige. Dat betoog slaagt niet.
11. De voorzieningenrechter zal de verzoeken daarom afwijzen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.G.J. Litjens, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:
griffier
Voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.