ECLI:NL:RVS:2014:1439

Raad van State

Datum uitspraak
23 april 2014
Publicatiedatum
23 april 2014
Zaaknummer
201302419/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.A.C. Slump
  • B.P. Vermeulen
  • H. Bolt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 2 WomArt. 5 WomArt. 8:114 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke beoordeling demonstratieverbod Occupy Rotterdam op Beursplein tijdens evenementen

De burgemeester van Rotterdam verbood Occupy Rotterdam om tijdens het terrassen- en evenementenseizoen op het bordes van het WTC-gebouw aan het Beursplein te demonstreren. Occupy Rotterdam en een individuele appellant maakten bezwaar tegen dit besluit, dat door de burgemeester grotendeels ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van Occupy Rotterdam niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belanghebbende status en wees het beroep van de individuele appellant af.

In hoger beroep stelde Occupy Rotterdam dat het wel degelijk belanghebbende is als samenwerkingsverband en dat het demonstratieverbod onrechtmatig is. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat Occupy Rotterdam als entiteit herkenbaar is in het rechtsverkeer en dus belanghebbende is. Vervolgens werd het beroep van Occupy Rotterdam inhoudelijk behandeld samen met dat van de individuele appellant.

De burgemeester had het demonstratieverbod gebaseerd op een politieadvies dat tijdens vier grote evenementen (marathon, Roparun, zomercarnaval en Bavaria City Racing) de demonstratie op het Beursplein tot wanordelijkheden zou kunnen leiden vanwege drukte en ingewikkelde voetgangersstromen. De Afdeling vond dit een gegronde reden en oordeelde dat het verbod proportioneel en tijdsbeperkt was, gericht op plaats en tijd en niet op de inhoud van de demonstratie.

Daarom verklaarde de Afdeling het beroep van Occupy Rotterdam gegrond voor wat betreft de ontvankelijkheid, maar inhoudelijk ongegrond, en bevestigde het beroep van de individuele appellant als ongegrond. Het griffierecht werd aan Occupy Rotterdam terugbetaald.

Uitkomst: Het demonstratieverbod tijdens vier grote evenementen op het Beursplein wordt bevestigd en het beroep van Occupy Rotterdam wordt inhoudelijk ongegrond verklaard.

Uitspraak

201302419/1/A3.
Datum uitspraak: 23 april 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
het samenwerkingsverband Occupy Rotterdam, domicilie kiezende te Rotterdam, en [appellant B], wonend te Rotterdam,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 januari 2013 in zaak nr. 12/2907 in het geding tussen:
Occupy Rotterdam en [appellant B]
en
de burgemeester van Rotterdam.
Procesverloop
Bij brief van 8 maart 2012 heeft de burgemeester te kennen gegeven dat de demonstratie van Occupy Rotterdam uiterlijk 31 maart 2012 van het bordes van het WTC-gebouw aan het Beursplein in Rotterdam moet verdwijnen.
Bij besluit van 23 maart 2012 heeft de burgemeester bepaald dat het Occupy Rotterdam met ingang van 31 maart 2012 niet is toegestaan om op het bordes van het WTC-gebouw aan het Beursplein de demonstratie voort te zetten tijdens het terrassen- en evenementenseizoen.
Bij besluit van 24 mei 2012 heeft de burgemeester het door Occupy en [appellant B] tegen de brief van 8 maart 2012 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het tegen het besluit van 23 maart 2012 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard voor zover het is gericht tegen het verbod om te demonstreren op het Beursplein tijdens de in het besluit nader gepreciseerde periodes en gegrond verklaard voor zover het is gericht tegen het verbod om te demonstreren in de overige periodes.
Bij uitspraak van 17 januari 2013 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard, voor zover dat is ingesteld door Occupy Rotterdam, en ongegrond verklaard voor zover dat is ingesteld door [appellant B]. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben Occupy Rotterdam en [appellant B] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.
Occupy Rotterdam en [appellant B] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 februari 2014, waar Occupy Rotterdam, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en [appellant B], beide bijgestaan door mr. R.S. Wijling, advocaat te Rotterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. S.B.H. Fijneman, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Occupy Rotterdam betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het door hem ingestelde beroep niet-ontvankelijk is omdat het geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De rechtbank heeft volgens Occupy Rotterdam ten onrechte overwogen dat het niet herkenbaar is in het rechtsverkeer. Occupy Rotterdam presenteert zichzelf als samenwerkingsverband. Het kent weliswaar geen vaste leiders of vertegenwoordigers, maar heeft wel een vaste structuur, aldus Occupy Rotterdam.
1.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
1.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 22 oktober 2008 in zaak nr. 200706377/1) is de hoedanigheid van belanghebbende niet voorbehouden aan natuurlijke personen en rechtspersonen, maar kunnen ook andere entiteiten als belanghebbende worden aangemerkt. Gelet op de woorden 'degene wiens', opgenomen in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wordt aan deze andere entiteiten de eis gesteld dat zij herkenbaar zijn in het rechtsverkeer.
Uit de nader toegezonden stukken en het verhandelde ter zitting volgt dat Occupy Rotterdam een samenwerkingsverband is van personen die eenzelfde doel nastreven. Het presenteert zich naar buiten als een eenheid, onder meer via zijn website en in zijn geschriften. De beslissingen van het samenwerkingsverband worden door de daartoe behorende personen genomen op basis van consensus, in een vaste vergadering die de "General Assembly" wordt genoemd. Uit naam van Occupy Rotterdam organiseren zij voorts verscheidene activiteiten, waaronder demonstraties. Onder deze omstandigheden moet Occupy Rotterdam naar het oordeel van de Afdeling worden aangemerkt als entiteit die herkenbaar is in het rechtsverkeer. Daarbij acht de Afdeling mede van belang dat Occupy Rotterdam de geadresseerde is van de besluiten van 23 maart 2012 en 24 mei 2012 en aldus ook door de burgemeester als een zodanige entiteit is herkend. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat Occupy Rotterdam geen belanghebbende bij het besluit van 24 mei 2012 is.
1.3. Het hoger beroep, voor zover ingesteld door Occupy Rotterdam, is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het beroep van Occupy Rotterdam niet-ontvankelijk is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 24 mei 2012, voor zover ingesteld door Occupy Rotterdam, alsnog inhoudelijk beoordelen. Dit zal zij doen samen met de beoordeling van het hoger beroep van [appellant B], nu dit in materieel opzicht gelijk is aan dit beroep.
2. Ingevolge artikel 2 van Pro de Wet openbare manifestaties (hierna: Wom) kunnen de bij of krachtens de bepalingen uit deze paragraaf aan overheidsorganen gegeven bevoegdheden tot beperking van het recht tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging en het recht tot vergadering en betoging, slechts worden aangewend ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.
Ingevolge artikel 5, eerste lid, kan de burgemeester naar aanleiding van een kennisgeving voorschriften en beperkingen stellen of een verbod geven. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, kan een verbod slechts worden gegeven indien een van de in artikel 2 genoemde Pro belangen dat vordert.
3. De burgemeester heeft aan Occupy Rotterdam een verbod opgelegd om te demonstreren tijdens de in het besluit nader genoemde periodes, die samenvallen met de marathon van Rotterdam, de Roparun, het zomercarnaval en de Bavaria City Racing. Aan dit verbod heeft de burgemeester een advies van de korpsleiding van de politie Rotterdam-Rijnmond van 29 maart 2012 ten grondslag gelegd. In dit advies wordt de burgemeester geadviseerd om met het oog op de veiligheid van de demonstranten en de veiligheid van het publiek tijdens de vier genoemde evenementen de demonstratie op de huidige plaats van Occupy Rotterdam in het kader van "crowd control" te beëindigen.
4. De Afdeling overweegt dat Occupy Rotterdam belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Het permanent bezetten van de openbare ruimte is een strategie van Occupy Rotterdam die het, naar ter zitting is toegelicht, niet heeft verlaten. Het bordes van het WTC-gebouw aan het Beursplein heeft voor Occupy Rotterdam een bijzondere betekenis, omdat deze plek een symbool vormt van datgene waartegen het zich verzet. Een inhoudelijk oordeel van de Afdeling over de rechtmatigheid van het besluit tot beëindiging van de demonstratie tijdens de vier in het besluit nader genoemde evenementen, is dan ook van belang voor eventuele toekomstige demonstraties op die plaats, tijdens die evenementen.
5. Ter zitting hebben Occupy Rotterdam en [appellant B] te kennen gegeven dat het hen in beroep onderscheidenlijk hoger beroep slechts gaat om het onderdeel van het besluit van 24 mei 2012 waarbij de burgemeester hun bezwaar tegen het besluit van 23 maart 2012 ongegrond heeft verklaard. Zij kunnen zich niet verenigen met het aldus aan hen opgelegde verbod om te demonstreren tijdens de genoemde vier evenementen. Occupy Rotterdam en [appellant B] stellen zich op het standpunt dat de burgemeester geen gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid om de demonstratie in die periodes te verbieden. Uit het advies van de politie waarop de burgemeester het gebruik van zijn bevoegdheid heeft gebaseerd, wordt immers niet duidelijk waarom tijdens die evenementen voor wanordelijkheden werd gevreesd, aldus Occupy Rotterdam en [appellant B].
5.1. In het advies van 29 maart 2012 heeft de korpsleiding van de politie te kennen gegeven dat, gelet op haar ervaringen in voorgaande jaren, bij de vier genoemde evenementen veel bezoekers worden verwacht. Als gevolg van de drukte ontstaan volgens de korpsleiding ingewikkelde voetgangersstromen rondom de "Koopgoot", Coolsingel en Beursplein. De demonstratie van Occupy Rotterdam op het Beursplein vormt een obstakel, waardoor meer drukte ontstaat en de voetgangersstromen nog ingewikkelder worden. In het advies wijst de korpsleiding voorts op incidenten rondom de demonstratie van Occupy Rotterdam, die plaats hebben gevonden in de periode van oktober 2011 tot en met maart 2012. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen ten aanzien van het beroep, voor zover ingesteld door [appellant B], heeft de burgemeester zich, de in het advies neergelegde bevindingen in aanmerking nemende, op goede gronden op het standpunt gesteld dat de aanwezigheid van de demonstratie op het Beursplein tijdens de vier evenementen tot wanordelijkheden zal leiden en dat voorkoming van deze wanordelijkheden beëindiging van de demonstratie en het opleggen van een verbod gedurende deze evenementen als bedoeld in artikel 5 van Pro de Wom vordert. De beëindiging en het verbod zien niet op de inhoud van de uiting maar slechts op de plaats van de demonstratie en is in tijd beperkt, nu die slechts geldt tijdens de vier in het besluit nader genoemde periodes van elk zeven of acht dagen. Gelet hierop heeft de burgemeester, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen ten aanzien van het hoger beroep voor zover ingesteld door [appellant B], het bevel aan Occupy Rotterdam mogen geven om van de demonstratie op het Beursplein in die vier periodes af te zien.
6. Het hoger beroep, voor zover ingesteld door [appellant B], is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden bevestigd. Het beroep, voor zover ingesteld door Occupy Rotterdam, is ongegrond.
7. Artikel 8:114, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht brengt met zich dat het in hoger beroep door Occupy Rotterdam betaalde griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan hen wordt terugbetaald.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep, voor zover ingesteld door Samenwerkingsverband Occupy Rotterdam, gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 januari 2013 in zaak nr. 12/2907, voor zover daarbij het beroep, voor zover ingesteld door Samenwerkingsverband Occupy Rotterdam, niet-ontvankelijk is verklaard;
III. verklaart het hoger beroep, voor zover ingesteld door [appellant B], ongegrond;
IV. verklaart het beroep, voor zover ingesteld door Samenwerkingsverband Occupy Rotterdam, ongegrond;
V. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
VI. verstaat dat de secretaris van de Raad van State aan Samenwerkingsverband Occupy Rotterdam het door hen betaalde griffierecht in hoger beroep ten bedrage van € 478,00 (zegge: vierhonderdachtenzeventig euro), terugbetaalt.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. H. Bolt, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Binnema, ambtenaar van staat.
w.g. Slump w.g. Binnema
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2014
589.