Uitspraak
Stichting [werkgever]
Rechtbank Gelderland
De zaak betreft een geschil tussen een bestuurder en zijn werkgever, een stichting die failliet is verklaard. De bestuurder vordert nakoming van een contractuele afvloeiingsregeling uit artikel 10 van Pro zijn arbeidsovereenkomst, ondanks dat hij reeds een vergoeding ontving via een eerdere ontbindingsprocedure.
De werkgever voert verweer met onder meer het beroep op de exclusieve werking van de eerdere ontbindingsbeschikking (Baijingsleer), strijd met de Zorgbrede Governance Code en wettelijke bepalingen, en stelt dat sprake is van dringende reden wegens onder meer valsheid in geschrifte, belangenverstrengeling en onrechtmatige betalingen. De kantonrechter oordeelt dat de Baijingsleer niet aan de vordering in de weg staat en dat de werkgever gebonden is aan het addendum van 9 juli 2010, waarin de afvloeiingsregeling is vastgelegd.
De kantonrechter wijst het beroep op redelijkheid en billijkheid en op artikel 6:248 en Pro 6:258 BW af, omdat de werkgever onvoldoende onderbouwing levert. Ook wordt vastgesteld dat de werkgever het bewijs moet leveren van de dringende reden die nakoming van de regeling zou uitsluiten. De discussie over de bonussen leidt niet tot het oordeel dat onterecht is betaald of dat de bestuurder zich schuldig heeft gemaakt aan misleiding. De kantonrechter houdt de beslissing aan om de werkgever in de gelegenheid te stellen bewijs te leveren over de gestelde onregelmatigheden en belangenverstrengeling.
Uitkomst: De kantonrechter houdt de beslissing aan en geeft de werkgever gelegenheid bewijs te leveren over de gestelde dringende reden en onregelmatigheden.