Eiser heeft tegen vijfendertig BPM-aanslagen beroep ingesteld, dat door de rechtbank niet-ontvankelijk werd verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn. De verzetten tegen deze niet-ontvankelijkverklaring werden gegrond verklaard omdat de rechtbank niet had beslist op het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank oordeelt dat ook bij niet-ontvankelijkheid van het beroep onder omstandigheden recht bestaat op vergoeding van immateriële schade, mits het geschil aan de rechter is voorgelegd. Het te laat indienen van het beroepschrift doet hieraan niet af. De overschrijding van de redelijke termijn wordt volledig toegerekend aan de beroepsfase, aangezien de bezwaarfase binnen de termijn bleef.
De rechtbank weegt mee dat de bezwaren samenhangen en betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, namelijk de ontvankelijkheid. De opgebouwde spanning en frustratie betreffen vooral de ontvankelijkheid en niet het inhoudelijke geschil. Daarom wordt een vergoeding van €3.000 toegekend voor alle zaken samen. Tevens wordt de Staat veroordeeld tot vergoeding van proceskosten (€1.860) en het betaalde griffierecht (€5.460).