Eiser heeft beroep ingesteld tegen een BPM-aanslag en verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het beroep werd eerder niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet betalen van het griffierecht. Hoewel het verzet tegen deze niet-ontvankelijkheid gegrond werd verklaard omdat het verzoek om schadevergoeding niet was beoordeeld, blijft het beroep niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van betaling van het griffierecht.
De rechtbank overweegt dat een vergoeding van immateriële schade bij overschrijding van de redelijke termijn onder omstandigheden mogelijk is, ook bij niet-ontvankelijkheid van het beroep. Echter, omdat het verzoek samenhangt met het beroep en het griffierecht niet is voldaan, is ook het verzoek niet-ontvankelijk. Er is geen inhoudelijke beoordeling van de overschrijding van de redelijke termijn geweest.
De rechtbank verwijst naar jurisprudentie van de Hoge Raad die bevestigt dat een inhoudelijke beoordeling van het geschil vereist is voor toekenning van schadevergoeding. Omdat het griffierecht niet is betaald, is het beroep niet-ontvankelijk en kan de rechtbank niet inhoudelijk oordelen. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Het vonnis is mondeling uitgesproken op 23 september 2016.