In deze strafzaak wordt verdachte verweten dat hij via een medeverdachte geheime informatie heeft verkregen over sollicitanten voor de functie van burgemeester van de gemeente Stichtse Vecht, wat een schending van de geheimhoudingsplicht zou zijn. De rechtbank verklaart een deel van de dagvaarding nietig wegens het ontbreken van een lijst met namen van kandidaten die in de tenlastelegging werd genoemd.
De rechtbank weegt het belang van geheimhouding van sollicitanten af tegen het belang van waarheidsvinding in de strafzaak. Hoewel artikel 61c van de Gemeentewet een geheimhoudingsplicht oplegt aan de vertrouwenscommissie en de commissaris van de Koning, is dit geen absoluut verschoningsrecht in rechte. De rechtbank oordeelt dat het maatschappelijk belang bij een eerlijk en zorgvuldig verloop van de benoemingsprocedure en het vertrouwen in de overheid zwaarder weegt dan het privacybelang van de kandidaten.
De rechtbank beslist dat de commissaris van de Koning en de voorzitter van de vertrouwenscommissie als getuigen geen verschoningsrecht toekomt en dat zij verplicht zijn vragen te beantwoorden. Om de privacy van sollicitanten te beschermen, vindt een deel van de getuigenverhoren achter gesloten deuren plaats. Tevens wordt de officier van justitie opgedragen een genummerde lijst met kandidaten te verstrekken zodat tijdens het openbare deel van de zitting over kandidaten kan worden gesproken zonder hun namen te noemen.
De procedure wordt aangehouden tot de zitting van 18 maart 2016, waarbij het onderzoek wordt hervat. De rechtbank benadrukt dat partijen in de procedure de vrijheid hebben om zich te verdedigen, ook als dat betekent dat zij mogelijk geheimhoudingsplichtige informatie bespreken, mits dit gerechtvaardigd is.