Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
3.De beoordeling
NJ1989, 413).
NJ1992, 747).
Rechtbank Gelderland
In deze civiele procedure vordert [Opdrachtgever] schadevergoeding van [Opdrachtnemer] wegens vermeende tekortkomingen bij verbouwingswerkzaamheden aan diens woning. Na conflicten beëindigde [Opdrachtnemer] begin 2015 de werkzaamheden en stuurde een factuur voor nog niet gefactureerd werk. [Opdrachtgever] weigerde te betalen en stelde in een eerdere procedure een tegenvordering in wegens gebrekkige uitvoering.
De kantonrechter wees op 27 januari 2016 de vordering tot schadevergoeding af omdat [Opdrachtgever] [Opdrachtnemer] niet in gebreke had gesteld. Later stelde [Opdrachtgever] alsnog een ingebrekestelling, maar de rechtbank oordeelde dat dit niet tot heropening van het juridische debat kan leiden vanwege het gezag van gewijsde van het eerdere vonnis. Hetzelfde feitencomplex en dezelfde partijen maken dat de vordering niet ontvankelijk is.
De rechtbank concludeert dat het beginsel van artikel 236 Rv Pro het niet toestaat dat een partij na een definitief vonnis alsnog een ingebrekestelling doet om dezelfde vordering opnieuw te starten. De vordering wordt daarom afgewezen en [Opdrachtgever] wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot schadevergoeding wordt afgewezen wegens het ontbreken van tijdige ingebrekestelling en het gezag van gewijsde van het eerdere vonnis.