In deze civiele procedure vorderen zes eisers schadevergoeding van de veroordeelde dader die hun familielid door verwurging om het leven bracht. De rechtbank stelt vast dat de dader onrechtmatig heeft gehandeld jegens het slachtoffer en ook jegens de minderjarige zoon die direct geconfronteerd werd met de gevolgen van het misdrijf.
De rechtbank overweegt dat nabestaanden in beginsel geen vergoeding kunnen vorderen voor verdriet na overlijden, behalve onder strikte voorwaarden voor shockschade. De minderjarige zoon, die het lichaam van zijn moeder aantrof en psychische behandeling ondergaat voor een erkend psychiatrisch ziektebeeld, komt in aanmerking voor immateriële schadevergoeding.
De overige eisers, waaronder ouders en broers/zussen, hebben geen directe confrontatie met het misdrijf gehad zoals vereist voor shockschade en krijgen daarom slechts vergoeding voor begrafeniskosten waar reeds in de strafzaak een bedrag voor is toegekend.
De rechtbank veroordeelt de dader tot betaling van €40.000 immateriële schadevergoeding aan de minderjarige, met wettelijke rente en kosten, en wijst het overige af.