Uitspraak
1.De inhoud van de tenlastelegging
2.Overwegingen ten aanzien van het bewijs
4.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het primair en subsidiair tenlastegelegde feit;
niet-ontvankelijkin de vordering.
Rechtbank Gelderland
Op 6 januari 2016 vond te Steenwijk een incident plaats waarbij het slachtoffer brandwonden aan een onderbeen opliep door het spuiten van een bus deodorant en het aansteken van het uitstromende gas. Verdachte werd primair beschuldigd van poging tot zware mishandeling en subsidiair van mishandeling met brandwonden.
Tijdens de openbare terechtzitting van 21 november 2016 stelde de officier van justitie dat onvoldoende bewijs bestond om verdachte te veroordelen en vorderde vrijspraak. Verdachte verklaarde niet betrokken te zijn geweest bij het feit en dat hij niet wist dat vuur zou worden gebruikt.
De militaire kamer oordeelde dat medeverdachte de handelingen verrichtte en dat verdachte geen nauwe en bewuste samenwerking had, noch een wezenlijke bijdrage leverde. Het enkele feit dat verdachte in dezelfde kamer was, was onvoldoende voor medeplegen. Daarom ontbrak wettig en overtuigend bewijs en werd verdachte vrijgesproken.
De benadeelde partij had een civiele schadevergoeding van €1000,- gevorderd, maar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de strafzaak vrijspraak opleverde. De civiele vordering dient bij de burgerlijke rechter te worden ingediend.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van medeplegen poging tot zware mishandeling met brandwonden.