Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 23 december 2016 in de zaak tussen
[X] NV, te [Z] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.
Procesverloop
- een naheffingsaanslag omzetbelasting (OB) over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 van € 5.037, waarbij een vergrijpboete is opgelegd van € 1.259 en € 137 aan heffingsrente is berekend (ARN 14/7471);
- een naheffingsaanslag OB over het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 30 september 2013 van € 41.758, waarbij een vergrijpboete is opgelegd van € 10.446 en € 498 aan belastingrente is berekend (ARN 14/8318);
- een teruggaaf OB over het tijdvak 1 oktober 2013 tot en met 31 december 2013 ten bedrage van € 5.329 (ARN 14/8263);
- een teruggaaf OB over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 maart 2014 ten bedrage van € 5.027 (ARN 14/8264);
- een teruggaaf OB over het tijdvak 1 april 2014 tot en met 30 juni 2014 ten bedrage van € 10.757 (ARN 14/8265).
Overwegingen
- een aantal facturen niet voldoet aan de wettelijke factuurvereisten vanwege een onjuiste en/of onvolledige tenaamstelling;
- uit de omschrijving van een aantal facturen niet is op te maken welke specifieke diensten zijn verricht en aan welke afnemer;
- uit de omschrijving van sommige facturen blijkt dat de diensten niet zijn verricht aan eiseres en/of zijn verricht in het kader van strafvervolging.
- voor het tijdvak 1 oktober 2013 tot en met 31 december 2013 € 5.329;
- voor het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 maart 2014 € 5.027;
- voor het tijdvak 1 april 2014 tot en met 30 juni 2014 € 10.757.
Procesverloop’).
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht: