Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 23 december 2016 in de zaken tussen
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.
Procesverloop
- een naheffingsaanslag omzetbelasting (OB) over het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 van € 63.724, waarbij een vergrijpboete is opgelegd van € 11.531 en € 8.804 aan heffingsrente is berekend (ARN 14/7482);
- een naheffingsaanslag OB over het tijdvak 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 van € 71.924, waarbij een vergrijpboete is opgelegd van € 11.388 en € 7.483 aan heffingsrente is berekend (ARN 14/7477);
- een naheffingsaanslag OB over het tijdvak 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 van € 247.238, waarbij een vergrijpboete is opgelegd van € 22.986 en € 19.542 aan heffingsrente is berekend (ARN 14/7479);
- een naheffingsaanslag OB over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 van € 124.595, waarbij een vergrijpboete is opgelegd van € 1.418 en € 6.499 aan heffingsrente is berekend (ARN 14/7483);
- een naheffingsaanslag OB over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 oktober 2012 van € 56.469, waarbij € 1.543 aan heffingsrente is berekend (ARN 14/7473).
Overwegingen
Procesverloop’). De resterende vergrijpboetes (25%) hebben betrekking op de voorbelasting die eiseres heeft geclaimd ter zake van facturen die op naam van [J] zijn gesteld.
De naheffingsaanslag over het jaar 2012
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht: