ECLI:NL:RBGEL:2017:1236
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling belanghebbende en vertrouwensbeginsel bij intrekking toevoeging rechtsbijstand
De rechtbank Gelderland behandelde een bestuursrechtelijke zaak waarin eiseres beroep instelde tegen het besluit van verweerder om de intrekking van een toevoeging voor rechtsbijstand ongedaan te maken. De kernvraag betrof of eiseres belanghebbende was bij het bestreden besluit en of het beroep gegrond was.
De rechtbank oordeelde dat eiseres belanghebbende is vanwege tegengestelde belangen tussen haar en de derde-partij die de toevoeging ontving. De rechtbank stelde vast dat het financiële resultaat van de zaak minder dan 50% van het heffingsvrij vermogen betrof, waardoor de intrekking volgens artikel 34g van de Wet op de rechtsbijstand terecht ongedaan werd gemaakt.
Eiseres voerde aan dat er een afspraak was dat de derde-partij de advocaatkosten zou betalen en beriep zich op het vertrouwensbeginsel vanwege vermeende toezeggingen van een medewerker van de Raad voor Rechtsbijstand. De rechtbank verwierp dit beroep omdat onvoldoende bewijs was geleverd dat dergelijke bindende toezeggingen waren gedaan en Klaassen, de medewerker, zich deze niet kon herinneren.
De rechtbank concludeerde dat het besluit van verweerder op goede gronden was genomen en dat er geen sprake was van strijd met algemene rechtsbeginselen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard.