Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 18 mei 2017
[X] , te [Z] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amersfoort, verweerder.
Procesverloop
- met dagtekening 15 december 2005 een navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 1993 ten bedrage van f. 8.823, een vergrijpboete van f. 8.823 en heffingsrente ten bedrage van f. 3.331;
- met dagtekening 16 januari 2006 een navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 1994 ten bedrage van f. 10.062, een vergrijpboete van f. 10.062 en heffingsrente ten bedrage van f. 3.397;
- met dagtekening 16 januari 2006 een navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 1995 ten bedrage van f. 4.700, een vergrijpboete van f. 4.700 en heffingsrente ten bedrage van f. 1.460;
- met dagtekening 16 januari 2006 een navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 1996 ten bedrage van f. 8.985, een vergrijpboete van f. 8.985 en heffingsrente ten bedrage van f. 2.737;
- met dagtekening 16 januari 2006 een navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 1997 ten bedrage van f. 3.695, een vergrijpboete van f. 3.695 en heffingsrente ten bedrage van f. 1.070;
- met dagtekening 15 december 2005 een navorderingsaanslag VB voor het jaar 1994 ten bedrage van f. 856, een vergrijpboete van f. 856 en heffingsrente ten bedrage van f. 323;
Overwegingen
- of verweerder bevoegd was een tweede reeks navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 1993 tot en met 1997 en een navorderingsaanslag VB over het jaar 1994 op te leggen;
- of de boetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.
Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;