Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Amsterdam(hierna: de Inspecteur)
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Belanghebbende heeft in zijn aangiften inkomstenbelasting en vermogensbelasting over de jaren 1993 tot en met 1997 buitenlandse bankrekeningen bij een Duitse bank niet aangegeven. De inspecteur legde navorderingsaanslagen op, waaronder een tweede reeks navorderingsaanslagen, omdat belanghebbende volgens het hof te kwader trouw was door opzettelijk informatie te onthouden.
De rechtbank had het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, en het hof bevestigt deze uitspraak. Het hof oordeelt dat belanghebbende zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat zijn aangiften onjuist waren en dat hij willens en wetens onjuiste aangiften heeft gedaan. Hierdoor is de inspecteur bevoegd tot het opleggen van de tweede reeks navorderingsaanslagen.
De boetes, die bij uitspraak op bezwaar waren verminderd tot 40% van de nagevorderde belasting, worden passend en geboden geacht. Het hof kent daarnaast een immateriële schadevergoeding toe van €2.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarvan €1.765 door de inspecteur en €735 door de Staat wordt betaald. Ook worden proceskosten en griffierecht verdeeld tussen inspecteur en Staat.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond verklaard; boetes gehandhaafd; immateriële schadevergoeding van €2.500 toegekend wegens overschrijding redelijke termijn.