ECLI:NL:RBGEL:2017:2884
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ten onrechte geweigerde WW-uitkering wegens niet-onverwijld ontslag
Eiser was sinds 2005 werkzaam bij de gemeente in een functie met opsporingsbevoegdheid. Na een incident in augustus 2015 waarbij eiser betrokken was, volgde een strafrechtelijke veroordeling wegens mishandeling op 6 oktober 2015. De werkgever was aanwezig bij de zittingen en concludeerde dat het gedrag van eiser zeer ernstig plichtsverzuim betrof. Hoewel de werkgever op 6 oktober 2015 al op de hoogte was van de gedragingen, werd eiser pas op 5 februari 2016 geïnformeerd over het voornemen tot strafontslag.
De werkgever had eiser op 22 oktober 2015 geschorst en onderzocht de gevolgen van de strafrechtelijke veroordeling voor de opsporingsbevoegdheid, die op 24 februari 2016 werd ingetrokken. Het ontslag werd formeel gegeven op 7 maart 2016 met ingang van 15 maart 2016. Verweerder legde een maatregel op waardoor de WW-uitkering werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid.
De rechtbank stelt dat het ontslag niet onverwijld is gegeven, zoals vereist volgens vaste rechtspraak en artikel 7:678 BW Pro. De werkgever had op of omstreeks 6 oktober 2015 strafontslag moeten geven, ook al was er een lopend onderzoek. Het ontbreken van een subjectieve dringende reden leidt tot de conclusie dat de weigering van de WW-uitkering onterecht is. Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de WW-uitkering wordt met terugwerkende kracht toegekend vanaf 15 maart 2016.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. De uitspraak is gedaan door rechter B.J. Zippelius en griffier W.J.M. de Wit op 30 mei 2017 in Arnhem.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt met ingang van 15 maart 2016 toegekend omdat het ontslag niet onverwijld is gegeven.