Eiser heeft beroep ingesteld tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2013, waarin de vermogensrendementsheffing werd toegepast op een rendementsgrondslag van €1.745.435. Eiser betoogde dat het forfaitaire rendement van 4% niet haalbaar was vanwege de lage rente en dat de heffing een individuele en buitensporige last vormde, mede doordat een deel van het vermogen slechts kortstondig in box 3 aanwezig was.
De rechtbank sluit zich aan bij eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad en het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, die het forfaitaire stelsel als robuust en niet onredelijk achten. De rechtbank oordeelt dat de keuze van de wetgever om de rendementsgrondslag te bepalen op 1 januari 2013 terughoudend moet worden getoetst en dat de situatie van eiser niet leidt tot een individuele buitensporige last.
Hoewel het werkelijke rendement van eiser lager was dan 4%, is de effectieve belastingdruk van circa 46% niet buitensporig in het licht van het daadwerkelijk behaalde rendement van €45.284. De rechtbank verwerpt het argument dat inflatiecorrectie moet worden meegenomen bij de beoordeling van de last.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.