ECLI:NL:RBGEL:2017:4426

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
21 augustus 2017
Publicatiedatum
25 augustus 2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 3207
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 1:3 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:1 AwbArt. 3:72 BW
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit subsidievaststelling persoonsgebonden budget wegens niet-ontvankelijkheid bezwaar

Eiseres, dochter en zorgverlener van wijlen budgethouder, verzocht om herziening van een besluit over de subsidievaststelling van het persoonsgebonden budget (pgb) over 2013. De rechtbank oordeelt dat de bevoegdheid tot rechtshandelingen op grond van volmacht eindigt een jaar na het overlijden van de budgethouder, waardoor eiseres niet meer bevoegd was het verzoek in te dienen.

Daarnaast is eiseres niet als belanghebbende aan te merken omdat zij geen erfgenaam is, mede door het ontbreken van een verklaring van erfrecht. Hierdoor kan haar verzoek niet als een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht worden beschouwd en is het bezwaar niet-ontvankelijk.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en verklaart het bezwaar tegen de brief van 28 december 2015 niet-ontvankelijk. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht, omdat hij ten onrechte inhoudelijk op het bezwaar heeft beslist en een onjuiste rechtsmiddelenclausule heeft opgenomen.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: 16/3207

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 augustus 2017

in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.F. van Willigen),
en

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. te Zwolle, verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 28 december 2015 heeft verweerder het verzoek van eiseres om terug te komen van het ten aanzien van wijlen mevrouw [naam] genomen besluit van 20 mei 2014 inzake de subsidievaststelling persoonsgebonden budget (pgb) over de periode 1 januari 2013 tot en met 13 oktober 2013, afgewezen.
Bij besluit van 20 april 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2017. Eiseres is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O.M. Emerenciana.
Het onderzoek is ter zitting geschorst teneinde eiseres in de gelegenheid te stellen een verklaring van erfrecht in het geding te brengen.
Nadat geen van de partijen binnen de gestelde termijn van vier weken heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. [naam] ontving een pgb in 2013 voor zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Eiseres (dochter van [naam] ) was de zorgverlener van [naam] . Op 13 september 2013 is [naam] overleden. Bij besluit van 20 mei 2014 heeft verweerder het pgb van [naam] vastgesteld over de periode 1 januari 2013 tot en met 13 oktober 2013. Vastgesteld is dat een bedrag van € 6.039,50 aan ontvangen pgb niet is verantwoord en moet worden terugbetaald. Het daartegen gemaakte bezwaar heeft verweerder op 20 april 2015 niet-ontvankelijk verklaard omdat eiseres te laat bezwaar heeft gemaakt.
Op 20 mei 2015 heeft verweerder een verzoek ontvangen van eiseres om het besluit inzake de subsidievaststelling van het pgb over het jaar 2013 te herzien.
2. Verweerder heeft het herzieningsverzoek afgewezen omdat niet is gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. De rechtbank dient eerst –ambtshalve – te onderzoeken of het bezwaar van eiseres ontvankelijk is.
4. Op grond van artikel 1:3, tweede lid, van de Awb wordt onder beschikking verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan.
Onder aanvraag wordt, ingevolge artikel 1:3, derde lid, van de Awb, verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.
Ingevolge artikel 1:2, eerste lid van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
Ingevolge het bepaalde in artikel 8:1 in Pro samenhang gelezen met het bepaalde in artikel 7:1 van Pro de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken.
In artikel 3:72, aanhef en onder a, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat een volmacht eindigt door de dood, de ondercuratelestelling, het faillissement van de volmachtgever of het ten aanzien van hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.
In artikel 3:73, tweede lid, van het BW is bepaald dat niettegenstaande de dood of de ondercuratelestelling van de volmachtgever de gevolmachtigde bevoegd blijft rechtshandelingen te verrichten, die niet zonder nadeel kunnen worden uitgesteld.
In het derde lid is bepaald dat de in de vorige leden vermelde bevoegdheid eindigt een jaar na het overlijden, de ondercuratelestelling of de opzegging
5. Eiseres heeft aangevoerd dat zij gevolmachtigd is om namens [naam] op te treden en heeft op 21 juni 2017 een volmacht van [naam] van 3 april 2006 overgelegd.
De rechtbank stelt vast dat eiseres meer dan een jaar na overlijden van [naam] het verzoek heeft gedaan om het besluit inzake de subsidievaststelling van het pgb over het jaar 2013 te herzien. Daargelaten of het doen van een aanvraag om herziening valt onder een rechtshandeling die niet zonder nadeel kan worden uitgesteld, eindigt de bevoegdheid tot het verrichten van deze rechtshandelingen overeenkomstig artikel 3:73, derde lid, van het BW een jaar na het overlijden. Gelet op het vorenstaande was eiseres daartoe niet meer bevoegd.
6. De rechtbank dient voorts de vraag te beantwoorden of eiseres zelf belanghebbende is bij de vaststelling van het pgb van [naam] over 2013. De rechtbank overweegt dat hiervan alleen sprake kan zijn indien eiseres erfgenaam van [naam] is.
De rechtbank heeft eiseres bij brief van 1 juni 2016 verzocht een verklaring van erfrecht in het geding te brengen. Op 23 mei 2017 heeft de griffier de gemachtigde van eiseres er telefonisch op geattendeerd dat deze verklaring nog niet is ontvangen. Na behandeling van het beroep op de zitting van 30 mei 2017 heeft de rechtbank eiseres opnieuw in de gelegenheid gesteld deze verklaring in het geding te brengen. Deze verklaring heeft de rechtbank niet ontvangen. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat in de aanvraag- en bezwaarfase geen verklaring van erfrecht is ontvangen, dat eiseres ook niet is verzocht deze te overleggen en dat verweerder hiervan geen punt heeft gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat, nu eiseres geen verklaring van erfrecht heeft overgelegd, niet is komen vast te staan dat eiseres erfgenaam is van [naam] en een belang heeft bij de (hernieuwde) vaststelling van het pgb over het jaar 2013.
7. Gelet op het vorenstaande is eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van Pro de Awb en haar verzoek kan daarom niet als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid worden beschouwd. De reactie op het verzoek van verweerder in de brief van 28 december 2015 is dan ook geen besluit in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Awb, waartegen ingevolge artikel 8:1 van Pro de Awb beroep openstond (zie rechtsoverweging 2.2. van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3727). Gelet op artikel 7:1 van Pro de Awb kan dan ook geen bezwaar worden gemaakt.
8. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Verweerder hoeft daarom niet opnieuw te beslissen.
9. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep ten bedrage van € 495,- aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Verweerder heeft immers ten onrechte in zijn brief van 28 december 2015 een rechtsmiddelenclausule opgenomen, waardoor eiseres op het verkeerde been is gezet met betrekking tot haar mogelijkheden. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.
Tevens dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
verklaart het bezwaar tegen de brief van 28 december 2015 niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 495,-;
bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.C.A. Bruggeman, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 21 augustus 2017
Griffier
Rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.