Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 oktober 2017
[eiser] te [woonplaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Putten, verweerder.
Procesverloop
Ingevolge artikel 7:12, tweede lid, eerste volzin, van de Awb wordt de beslissing op bezwaar bekend gemaakt door toezending of uitreiking aan degenen tot wie zij is gericht.
27 december 2016 ter post is aangeboden.
Uit het verslag van de controle van 31 mei 2016 is naar voren gekomen dat eiser heeft aangegeven dat hij een moeilijke periode doormaakt en vanwege zijn kinderen tijdelijk in de betreffende recreatiewoning verblijft. Verder heeft eiser aangegeven vanuit de recreatiewoning naar zijn werk te gaan en een kamer te huren bij een vriendin in [plaats 2] . Het adres van de woning in [plaats 2] wist eiser niet direct te noemen.
Eiser betwist dat hij de last heeft overtreden. Hij heeft zijn hoofverblijf op het adres [adres 2] in [woonplaats] , waar hij in de BRP staat ingeschreven. Aan het overgelegde rapport van de controles van 15 maart en 31 mei 2016 kan niet de conclusie worden verbonden dat eiser de recreatiewoning permanent bewoont. De bevindingen van de toezichthouders moeten in een ander licht worden geplaatst.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, zie onder meer de uitspraak van
17 oktober 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY0358), ligt het op de weg van verweerder om de feiten vast te stellen die vereist zijn voor het vermoeden dat sprake is van een overtreding van de planregels. Het is vervolgens aan eiser om dit vermoeden, indien daartoe aanleiding bestaat, te ontkrachten. Bij het ontbreken daarvan dient de rechter in beginsel van de juistheid van het vermoeden uit te gaan.
In eisers nadeel spreekt dat hij in zijn verklaringen die zijn afgelegd tijdens de controles, anders dan mocht worden verwacht, niet heeft verklaard dat hij de recreatiewoning recreatief bewoont. Verder spreekt in eisers nadeel dat hij tijdens de controle van 31 mei 2016 heeft verklaard dat hij een kamer huurt bij een vriendin, terwijl hij ter zitting heeft verklaard dat de huur moet worden gezien als gebruikersvergoeding en dat hij dus samenwoont in [plaats 2] . Echter, in de omstandigheden die in eisers nadeel spreken zijn onvoldoende aanknopingspunten gelegen die de rechtbank bewegen tot een ander oordeel.
wegingsfactor 1).
Beslissing
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1237,50, te betalen aan eiser;