Uitspraak
201000189/1/H3, waarin is geoordeeld dat een bestuursorgaan niet aannemelijk heeft gemaakt dat een brief is verzonden naar een postadres. Ook in dit geval heeft op de postkamer geen registratie plaatsgevonden van de brief, aldus het college. Uit de enkele omstandigheid dat de brief is geadresseerd aan het juiste adres en een datumstempel van 8 oktober 2010 bevat, volgt volgens het college evenmin dat de brief daadwerkelijk is verzonden. Verder stelt het college dat de schermafdrukken de nodige vragen oproepen. Zo staat op de schermafdruk waarop het tabblad "Algemeen" is afgedrukt de datum "12-12-2010", wat doet vermoeden dat op die datum een wijziging in het postregistratiesysteem is aangebracht. Ook komt ten aanzien van het door het college verzonden bezwaarschrift de ingevulde datum in de kolom "Datum werkelijke" niet overeen met de datum waarop het bezwaarschrift door de minister is ontvangen, aldus het college.
201010777/1/V1) hanteren de hoogste bestuursrechters als uitgangspunt dat, in het geval van niet aangetekende verzending van een besluit of een ander rechtens van belang zijnd document, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het betrokken stuk is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit of ander relevant document. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Indien het bestuursorgaan de verzending naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe dient de geadresseerde feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld.