Eiseres heeft BPM-aangifte gedaan voor een Jeep Wrangler met eerste toelating begin 2014, waarbij zij aanspraak maakt op het historische tarief van 2013. De rechtbank overweegt dat artikel 16a Wet BPM vergunninghouders een overgangsperiode biedt om oude tarieven toe te passen bij kentekens op voorraad, en dat dit onder omstandigheden analoog kan gelden voor niet-vergunninghouders.
Verweerder betwist dat het historische tarief van 2013 kan worden toegepast zonder concreet bewijs van referentievoertuigen die dit tarief hebben gekregen, maar de rechtbank volgt eiseres en verwijst naar het Unierecht en jurisprudentie van het Hof van Justitie EU. Het is niet vereist dat een feitelijke referentieauto wordt aangewezen.
De rechtbank stelt vast dat de BPM op de auto niet hoger mag zijn dan die op vergelijkbare voertuigen met eerste toelating in Nederland in dezelfde periode. Daarom wordt het beroep gegrond verklaard, de BPM vastgesteld op €13.289 en verweerder veroordeeld in proceskosten. Het verzoek om rentevergoeding wordt afgewezen wegens onbevoegdheid.