De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, die was veroordeeld wegens verduistering in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 mei 2015. De vordering werd gebaseerd op een rapport waarin het voordeel oorspronkelijk op €194.460 werd geschat, maar aangepast naar €37.413,46 vanwege een kortere periode.
Tijdens de zitting op 12 december 2017 verdedigde veroordeelde zich met een beroep op draagkracht en een compensatie wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank nam kennis van het vonnis en het politiedossier en achtte het aannemelijk dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel had genoten.
De rechtbank berekende het voordeel op basis van niet betaalde weddenschappen en de opbrengsten uit prijzen, waarbij het totaal werd vastgesteld op €87.413,46. Na verrekening van een eerder opgelegd bedrag van €50.000 resteerde een betalingsverplichting van €37.413,46. De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van overschrijding van de redelijke termijn en legde veroordeelde de verplichting tot betaling aan de Staat op.