Op 17 april 2016 werd verdachte beschuldigd van het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer door middel van meerdere slagen in het gezicht, resulterend in een gebroken oogkas en/of ingeklemde oogspier. Subsidiair werd mishandeling ten laste gelegd.
Tijdens de terechtzittingen verklaarde verdachte dat hij werd ingesloten door een groep van ongeveer acht personen die hem duwden en trokken, waarna hij één vuistslag uitdeelde aan de persoon die het dichtst bij hem stond, die deel uitmaakte van die groep. De rechtbank oordeelde dat er sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding en dat het geweld van verdachte binnen de grenzen van noodzakelijke verdediging bleef.
Daarom werd verdachte vrijgesproken van zowel de primair als subsidiair ten laste gelegde feiten. De civiele vordering van het slachtoffer tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege de vrijspraak.