Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Beslissing
28 september 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft mishandeling door het slaan met een vuist tegen het gezicht van de aangever op 8 december 2017. De verdachte erkende de vuistslag, maar voerde noodweer aan. De verdediging verzocht het hof om de aangever en een getuige te horen, omdat hun verklaringen essentieel waren voor de bewijsvoering en het noodweerverweer.
Het hof wees het getuigenverzoek af met het oordeel dat de verklaringen betrouwbaar waren en dat het verzoek niet noodzakelijk was. De Hoge Raad oordeelt dat deze motivering niet toereikend is, omdat het hof niet heeft onderzocht of de procedure in haar geheel voldoet aan het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd in artikel 6 EVRM Pro, met name gezien het feit dat de verdediging het ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen ten aanzien van deze getuigen.
De Hoge Raad herhaalt de criteria uit eerdere jurisprudentie (onder meer HR:2021:576 en HR:2014:2677) over de beoordeling van getuigenverzoeken en het belang van het ondervragingsrecht. Gezien het gewicht van de verklaringen en het ontbreken van een goede reden om de getuigen niet te horen, had het hof nader onderzoek moeten verrichten of compensatoire waarborgen aanwezig waren.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting, waarbij het hof alsnog de getuigen moet oproepen of op andere wijze het ondervragingsrecht van de verdediging moet waarborgen.
Uitkomst: Arrest van het hof vernietigd wegens schending ondervragingsrecht en zaak terugverwezen voor hernieuwde berechting.