ECLI:NL:RBGEL:2018:1596
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vaststelling WIA-dagloon bij periode van voorlopige hechtenis zonder WW-uitkering
Eiser ontving sinds februari 2014 een WW-uitkering die werd beëindigd vanwege voorlopige hechtenis vanaf maart 2014 tot september 2014. Daarna werd de WW-uitkering hervat en later omgezet in een Ziektewetuitkering. Verweerder stelde het WIA-dagloon vast op basis van het genoten SV-loon in de referteperiode van 1 maart 2014 tot en met 28 februari 2015, waarbij de periode van voorlopige hechtenis zonder WW-uitkering niet buiten beschouwing werd gelaten.
Eiser betoogde dat deze vaststelling onrechtvaardig was en verwees naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) uit 2016, waarin een verlagend effect op het dagloon als gevolg van een sanctie werd aangemerkt als een strafrechtelijke sanctie (criminal charge) in de zin van het EVRM. De rechtbank oordeelde echter dat de situatie van eiser niet vergelijkbaar was met die zaak, omdat hier geen sanctie maar een wettelijke uitsluiting van WW-uitkering wegens voorlopige hechtenis speelde.
Verder stelde eiser dat het vastgestelde dagloon geen redelijke afspiegeling van zijn welvaartsniveau was, verwijzend naar een eerdere CRvB-uitspraak uit 2012. De rechtbank verwierp dit omdat er geen fout van het bestuursorgaan was en het dagloon conform de wettelijke bepalingen was vastgesteld. Eiser kan volgens de rechtbank zijn schade door onrechtmatige vrijheidsontneming via een civiele procedure verhalen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Eiser is vrijgesproken van de feiten waarvoor hij in voorlopige hechtenis zat en heeft daarvoor al schadevergoeding ontvangen. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de CRvB.
Uitkomst: Het beroep tegen het vastgestelde WIA-dagloon wordt ongegrond verklaard en het besluit gehandhaafd.