3.5.Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen objectieve aanknopingspunten waaruit volgt dat verweerder aan deze bijzondere inlichtingenplicht heeft voldaan. Eiser heeft ter zitting onweersproken gesteld dat de hoogte van de eigen bijdrage in gesprekken die hij met [zorginstelling] heeft gehad voorafgaand aan zijn opname, niet aan hem is meegedeeld. In de huisregels van [zorginstelling] is slechts opgenomen dat door verweerder een eigen bijdrage is vastgesteld. Voor zover daaruit al volgt dat eiser (hiermee geïnformeerd wordt dat hij) een eigen bijdrage verschuldigd is, volgt daaruit niet wat de hoogte daarvan is. Dat de hoogte van de eigen bijdrage volgt uit de Wmo 2015 en daarop gebaseerde wet- en regelgeving is ook onvoldoende. Uit de wettelijke systematiek volgt immers dat het de taak van verweerder is om er voor te zorgen dat, in een geval als deze, uiterlijk op het moment van aanvang van feitelijke opname voor de betrokkene duidelijk is of een eigen bijdrage verschuldigd is en wat de maximale hoogte van de eigen bijdrage is. Dan kan betrokkene namelijk nog besluiten om daar vanaf te zien. In dit geval heeft verweerder dat niet gedaan. Verweerder heeft dan ook niet bij het primaire besluit met terugwerkende kracht aan eiser een eigen bijdrage op mogen leggen. De beroepsgrond slaagt.
4. Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen voor zover daarbij maatschappelijke opvang is toegekend voor de periode van 16 mei 2017 tot en met 5 juli 2017 en voor zover daarbij een eigen bijdrage is opgelegd. De rechtbank bepaalt dat de maatschappelijke opvang wordt toegekend voor de periode van 16 mei 2017 tot en met 15 juli 2017. Dit betekent dat eiser tot en met 15 juli 2017 geen eigen bijdrage is verschuldigd voor de aan hem toegekende maatschappelijke opvang.
5. Nu het beroep gegrond is, moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem vergoeden.
6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 501,- (1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een wegingsfactor 1). De gevorderde reiskosten van € 11,40 komen ook voor vergoeding in aanmerking.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C.E. Marechal, rechter, in tegenwoordigheid van mr. N. ter Horst, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 april 2018.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.