Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 19 januari 2018
[X] , te [Z] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder
Procesverloop
16/1871 en 16/1872.
Overwegingen
“d. certificaten: de door de stichting uitgegeven certificaten, vertegenwoordigende de
economische waarde van het registergoed;”
Artikel 3.92, eerste lid, onder a, Wet IB 2001
9 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:199, en 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, volgt dat de rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 van Pro het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden mede ten grondslag ligt ertoe noopt dat de beslechting van belastinggeschillen binnen een redelijke termijn plaatsvindt. Een overschrijding van die termijn leidt, behoudens bijzondere omstandigheden, in de regel tot spanning en frustratie, wat grond vormt voor vergoeding van immateriële schade, aldus de Hoge Raad. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze termijn is de duur van de bezwaarfase inbegrepen. In belastingzaken heeft als regel te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover deze meer dan anderhalf jaar in beslag neemt. Als uitgangspunt wordt een tarief gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden.
Beslissing
een bedrag van € 450;
- veroordeelt verweerder in de ene helft van de proceskosten van eiser ten bedrage van € 125,25;
- veroordeelt de Staat (Minister voor Rechtsbescherming) in de andere helft van de proceskosten van eiser ten bedrage van € 125,25;
- draagt de Staat (Minister voor Rechtsbescherming) op de andere helft van het betaalde griffierecht van € 23 (50% van € 46) aan eiser te vergoeden.
mr. J.J. Westerbaan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;