AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet-tijdig beslissen op bezwaar inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de Belastingdienst op zijn bezwaren tegen aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over meerdere jaren. De rechtbank stelt vast dat eiser niet eerst verweerder schriftelijk in gebreke heeft gesteld, wat een vereiste is volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voordat beroep kan worden ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank overweegt dat het vereiste van een voorafgaande ingebrekestelling niet in strijd is met artikel 6 EVRMPro, omdat de Awb een uitzondering kent indien redelijkerwijs niet van de belanghebbende kan worden gevergd om een ingebrekestelling te doen. Eiser heeft echter geen gegronde redenen aangevoerd om deze uitzondering toe te passen.
Daarnaast heeft verweerder de brief van 30 augustus 2017 niet als bezwaarschrift aangemerkt, waardoor het bezwaar niet in behandeling is genomen. De rechtbank concludeert dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn en wijst het verzoek om schadevergoeding af, aangezien een schadevergoeding in belastingzaken alleen kan worden toegekend als het beroep gegrond is.
De uitspraak is mondeling gedaan op 18 mei 2018 door rechter R.A. Eskes in aanwezigheid van griffier O.D. Heitling. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Beroepen tegen niet tijdig beslissen op bezwaar worden niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van voorafgaande ingebrekestelling; verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Uitspraak
RechtbanK gelderland
Team belastingrecht
zaaknummers: AWB 17/6724 en 18/1758
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
18 mei 2018
in de zaken tussen
[X] , wonende te [Z] , eiser,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Enschede, verweerder.
Het beroep
De beroepen van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit en het niet toekennen van een dwangsom.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2018. Eiser is verschenen. Namens verweerder zijn [gemachtigde] en [A] verschenen.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de beroepen niet-ontvankelijk,
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Overwegingen
1. Eiser heeft bij brief van 31 oktober 2017, ontvangen door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 2 november 2017, beroep ingesteld. Dit beroep is doorgestuurd naar de rechtbank, waar het op 4 december 2017 is binnengekomen.
2. In het belastingrecht geldt het zogenoemde gesloten stelsel van rechtsbescherming. Dit betekent dat alleen tegen beslissingen van de inspecteur kan worden opgekomen als sprake is van een belastingaanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking.
3. Eiser komt op tegen het niet reageren door verweerder op zijn brieven van onder andere 30 augustus 2017. Daaruit begrijpt de rechtbank dat eiser opkomt tegen het niet tijdig beslissen op het door hem gemaakte bezwaar. Voor zover eiser tegen andere beslissingen of het uitblijven daarvan opkomt, is de belastingrechter niet bevoegd. De rechtbank zal zich daarom beperken tot de vraag in hoeverre eiser bezwaar heeft gemaakt tegen besluiten waartegen bezwaar mogelijk is. Daarom wordt niet toegekomen aan de vraag of eiser recht had op uitstel voor het doen van aangifte.
4. De rechtbank begrijpt de beroepen van eiser zo, dat deze zijn gericht tegen het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaren tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over 2014 en 2015. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat het ook om 2013 gaat. Daarnaast verzoekt eiser om een schadevergoeding van € 1.500.000.
5. In de brief van 30 augustus 2017 is in ieder geval te lezen dat eiser bezwaar maakt “tegen de belachelijk hoge aanslagen inkomsten belasting die reeds zijn opgelegd”. Bij brief van 26 juni 2017 heeft eiser daarnaast specifiek bezwaar gemaakt tegen de aanslagen IB/PVV en inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet over 2014. Op de bezwaren van eiser over 2014 is al beslist, naar aanleiding van de aangifte die eiser op 30 mei 2017 alsnog heeft ingediend. Conform de aangifte heeft verweerder met dagtekening 5 juli 2017 de aanslag verminderd. Deze aanslag is tussen partijen niet meer in geschil en voor zover het bezwaar zich daar al tegen richtte, heeft eiser daarbij geen belang meer.
6. De rechtbank heeft geen gegevens over de aanslag IB/PVV over het jaar 2013, maar zal ervan uitgaan dat in de brief van 30 augustus 2017 bedoeld is daartegen bezwaar te maken. Voor 2015 heeft verweerder met dagtekening 1 februari 2017 een aanslag IB/PVV vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.888. Op 27 december 2017 heeft eiser alsnog aangifte gedaan en deze aangifte is als bezwaar in behandeling genomen. Hierop is nog niet beslist. Verweerder heeft vragen aan eiser gesteld naar aanleiding van die aangifte.
7. Verweerder heeft de brief van 30 augustus 2017 niet als bezwaarschrift aangemerkt.
8. De rechtbank beschouwt de brief van eiser van 30 augustus 2017 wel als bezwaarschrift. Hierop heeft verweerder tot op heden niet beslist. Op grond van artikel 6:2 enProartikel 7:1 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan tegen het niet tijdig nemen van een besluit beroep worden ingesteld. Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan het beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop eiser verweerder schriftelijk heeft meegedeeld dat hij in gebreke is.
9. Op grond van artikel 7:10 vanPro de Awb diende verweerder te beslissen binnen zes weken vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. Omdat in elk geval voor 2015 de bezwaartermijn op 30 augustus 2017 al was verstreken, komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder binnen zes weken na de ontvangst van die brief had dienen te beslissen. Verweerder heeft die brief op 1 september 2017 ontvangen. Dat betekent dat hij uiterlijk op 11 oktober 2017 had moeten beslissen. Dit heeft hij niet gedaan. Eiser heeft verweerder echter niet eerst in gebreke gesteld, maar direct beroep ingesteld. Hij heeft dus niet aan de wettelijke eisen voldaan.
10. Eiser is van mening - zo begrijpt de rechtbank - dat het vereiste van een voorafgaande ingebrekestelling in strijd is met (met name) artikel 6 vanPro het EVRM, omdat hem op deze wijze de toegang tot de rechter wordt ontzegd. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Artikel 6:12, derde lid, van de Awb kent zelf al een uitzonderingsmogelijkheid. Als redelijkerwijs niet van een belanghebbende kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt, kan het beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen. Met deze regeling is naar het oordeel van de rechtbank de toegang tot de rechter in voldoende mate gewaarborgd. Eiser heeft geen redenen aangevoerd waarom van hem niet kon worden gevergd eerst verweerder erop te wijzen dat hij te laat was met beslissen. Hij heeft alleen aangevoerd dat hij hiervan niet op de hoogte was. Dat acht de rechtbank onvoldoende reden om aan deze eis voorbij te gaan. Eiser had immers ook zonder die eis te kennen in ieder geval navraag kunnen doen bij verweerder naar de stand van zaken en duidelijk kunnen maken dat hij een beslissing wenste. Dat is uiteindelijk ook de functie van de ingebrekestelling. Verweerder heeft niet onderkend dat sprake was van een bezwaarschrift. Met de ingebrekestelling zou hij daarop zijn geattendeerd en had hij het bezwaar alsnog in behandeling kunnen nemen en zo spoedig mogelijk kunnen beslissen. Het uiteindelijke doel van een procedure tegen het niet-beslissen op bezwaar is dat er alsnog uitspraak op bezwaar wordt gedaan. Dit volgt uit artikel 6:20, eerste lid, van de Awb, dat bepaalt dat het bestuursorgaan verplicht blijft te beslissen, tenzij de belanghebbende daarbij geen belang meer heeft als gevolg van de beslissing op het beroep. Eiser heeft daarbij in dit geval wel degelijk belang. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het ontbreken van een voorafgaande ingebrekestelling eiser kan worden tegengeworpen.
11. Op grond van het voorgaande zijn de beroepen niet-ontvankelijk.
12. Omdat de beroepen niet-ontvankelijk zijn, wijst de rechtbank het verzoek om een schadevergoeding af. In het belastingrecht geldt namelijk dat de rechtbank alleen een schadevergoeding kan toekennen als het beroep gegrond is. Dit staat in artikel 8:73 vanPro de Awb. Dit artikel is het belastingrecht nog steeds van toepassing gelet op artikel V van het bijzondere overgangsrecht inzake de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. O.D. Heitling, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2018.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;