ECLI:NL:RBGEL:2018:2667
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking nabestaandenuitkering wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding
Eiseres ontving sinds 2004 een nabestaandenuitkering en woonde samen met haar kinderen op een adres. Verweerder trok in 2016 de uitkering met terugwerkende kracht in vanwege de vermeende gezamenlijke huishouding met een andere persoon vanaf 2010. De rechtbank oordeelt dat de woonruimten van eiseres en deze persoon zelfstandige woningen zijn, elk met eigen voorzieningen en ingangen, gescheiden door een afsluitbare tussendeur.
Verweerder heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake was van een gezamenlijk hoofdverblijf vóór september 2011, mede omdat de persoon pas vanaf oktober 2011 op het adres stond ingeschreven. Ook na die datum is onvoldoende gebleken dat zij feitelijk samenwoonden in één woning. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van eiseres. Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de nabestaandenuitkering komt te vervallen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de nabestaandenuitkering wordt vernietigd en herroepen.