ECLI:NL:RBGEL:2018:2702
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bestuurlijke boete wegens niet melden inkomsten bij bijstand met toepassing kostendelersnorm
Eiser ontving bijstand op grond van de Participatiewet volgens de kostendelersnorm en verrichtte in april tot en met juni 2017 arbeid via uitzendbureaus, zonder deze inkomsten onverwijld aan verweerder te melden. Na melding van de Stadsbank startte verweerder een onderzoek en legde een bestuurlijke boete op wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De boete werd initieel vastgesteld op €820,- en later gematigd tot €670,-, zijnde 50% van het benadelingsbedrag van €1.656,69, rekening houdend met de fictieve draagkracht van eiser. Eiser betwistte de boete en stelde onder meer dat hij zijn inkomsten wel had gemeld aan de Stadsbank en dat de beslagvrije voet hoger zou moeten zijn dan verweerder hanteerde.
De rechtbank oordeelde dat eiser zijn inlichtingenplicht had geschonden omdat hij de inkomsten niet onverwijld aan verweerder had gemeld. De rechtbank volgde de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep dat bij de draagkrachtberekening 10% van de toepasselijke bijstandsnorm (hier de kostendelersnorm) moet worden aangehouden, zonder inhoudelijke toetsing van de beslagvrije voet volgens artikel 475d Rv. De boete werd als evenredig, passend en geboden beoordeeld en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de bestuurlijke boete wegens niet melden van inkomsten tijdens bijstand wordt ongegrond verklaard en de boete van €670,- bevestigd.