Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 juli 2018
[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker, hierna te noemen: verzoeker
Procesverloop
Overwegingen
In bezwaar is namens verzoeker aangevoerd dat verzoeker in 2016 een spaarrekening had geopend voor betaling van schoolgeld voor zijn zoon Zyno. Op deze rekening stond slechts een bedrag van € 30,06. Na beëindiging van bijstand is verzoeker genoodzaakt zijn schaarse bezittingen te verkopen. Verzoeker acht de intrekking van zijn recht op bijstand buiten proportioneel. Tijdens de hoorzitting van 10 april 2018 heeft verzoeker zijn gezondheidsproblemen onder verweerders aandacht gebracht. Voorts is aangegeven dat alle gevraagde bankafschriften zijn overgelegd. Bij brief van 10 april 2018 heeft verzoekers gemachtigde het overzicht van de spaarrekening overgelegd.
Verzoeker heeft in beroep aangevoerd, voor zover in dit geding van belang, dat geen sprake is van enige opzet en/of grove schuld of verwijtbaarheid. Verweerder had ook kunnen volstaan met een opschorting van 8 weken danwel een schriftelijke waarschuwing. Ten onrechte is door verweerder geen rekening gehouden met verzoekers persoonlijke omstandigheden. Verzoeker vindt dat hij niet eerlijk is behandeld. Er is sprake van erbarmelijke omstandigheden. De gevolgen van het bestreden besluit treffen hem onevenredig hard. Verzoeker acht het bestreden besluit evident onjuist. Ter zitting is gesteld dat het bestreden besluit in strijd is met de redelijkheid- en billijkheidseisen. Verzoeker stelt ter zitting dat hij een print screen via zijn mobieltje van zijn spaarrekening tijdig bij verweerder heeft ingeleverd. Tijdens de hoorzitting heeft de gemachtigde begrepen welke bankafschriften (nog) ontbraken. Nog dezelfde dag, of een dag later, zijn de gevraagde gegevens van verzoekers spaarrekening door de gemachtigde bij verweerder ingeleverd. Anders dan door verweerder wordt aangenomen woont verzoeker ook nu nog op het uitkeringsadres. Tegen verweerders besluit van 19 juni 2018 is door een andere gemachtigde bezwaar gemaakt. Ter zitting zijn een proces-verbaal van aangifte van bedreiging uit 2016 en een recente verklaring van de behandelende internist-nefroloog overgelegd. Verzoeker stelt dat verweerder al in 2016 had kunnen zien dat er geld werd overgemaakt naar zijn doel-spaarrekening.
10 januari 2018 te trekken. Wat verzoeker in beroep heeft aangevoerd levert geen grond op voor het oordeel dat verweerder niet van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken. Verzoekers persoonlijke (financiële en medische) omstandigheden, hoe indringend ook, maken niet dat verweerder op grond daarvan geen gebruik van zijn bevoegdheid mocht maken.
De conclusie is dat verzoekers beroep ongegrond moet worden verklaard. Er is dan ook geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.