Eiser is in 2015 naar Costa Rica geëmigreerd en heeft dat jaar loon genoten uit zowel Nederland als Costa Rica. De Belastingdienst stelde de arbeidskorting voor 2015 vast op € 834, terwijl eiser stelde dat deze € 1.438 moest bedragen. De rechtbank oordeelde dat de Belastingdienst een beleidsregel hanteerde die afweek van de wet en dat de uitspraak van Hof ’s-Hertogenbosch uit 2006 onvoldoende steun bood voor het standpunt van verweerder, mede omdat Costa Rica geen EU-land is.
De rechtbank stelde vast dat de arbeidskorting moet worden berekend op het arbeidsinkomen conform de wettelijke definitie in de Wet IB 2001 en dat eiser recht had op de door hem berekende hogere arbeidskorting van € 1.438. De rechtbank vernietigde de uitspraak op bezwaar en droeg de Belastingdienst op de aanslag te verminderen met de juiste arbeidskorting.
Daarnaast veroordeelde de rechtbank de Belastingdienst tot vergoeding van de proceskosten van eiser en het betaalde griffierecht. De uitspraak werd gedaan door rechter A.P. Vaatstra op 18 september 2018.