ECLI:NL:RBGEL:2018:4716

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
2 november 2018
Publicatiedatum
2 november 2018
Zaaknummer
05/840318-17
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte wegens ontbreken opzet bij vechtpartij op passagiersschip

Op 28 juli 2016 vond een vechtpartij plaats op een passagiersschip van Smyrilline tijdens de vaarroute van IJsland naar Denemarken. Verdachte werd ervan beschuldigd geweld te hebben gepleegd tegen het slachtoffer door duwen, vastpakken, trekken aan haren en slaan. De officier van justitie stelde dat wettig en overtuigend bewezen was dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit.

De verdediging voerde aan dat het vastpakken van het slachtoffer door verdachte bedoeld was om het slachtoffer af te weren en dat verdachte geen opzet had om geweld te plegen. Verschillende getuigen verklaarden over de rol van verdachte; één getuige gaf aan dat verdachte probeerde te kalmeren door de betrokkenen uit elkaar te halen en met zijn armen te scheiden, terwijl andere getuigen geen zicht hadden op het handelen van verdachte.

De rechtbank oordeelde dat de verklaringen onvoldoende aanwijzingen bevatten dat verdachte opzettelijk geweld gebruikte tegen het slachtoffer, ook niet in voorwaardelijke zin. Het handelen van verdachte werd niet gezien als gericht op geweld, en de primaire en subsidiaire tenlasteleggingen werden niet bewezen geacht. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij en verklaarde de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van opzet op geweld tijdens vechtpartij op passagiersschip.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer : 05/840318-17
Datum uitspraak : 2 november 2018
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland
tegen
[verdachte 1]
geboren op [geboortedatum] 1946 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , [woonplaats]
raadsman: mr. J.W. Schouten, advocaat te Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 31 oktober 2017 en 19 oktober 2018.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
Primair
hij op of omstreeks 28 juli 2016 op een passagiersschip (van Smyrilline) en/of op de vaarroute van IJsland naar Denemarken, te IJsland en/of Denemarken, althans de Noord-Atlantische Oceaan en/of Noordzee openlijk, te weten op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten de lounge/het café van passagiersschip Smyrilline, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit het - duwen in/op/tegen het lichaam en/of - (met kracht) vastpakken van een/de arm(en) en/of - (meermalen) (met kracht) trekken aan de haren en/of - (meermalen) (met kracht) stompen/slaan in/op/tegen het oog en/of de wenkbrauw en/of de lip en/of het (rechter)oor, althans het gezicht/hoofd;
Subsidiair
hij op of omstreeks 28 juli 2016 te op een passagiersschip (van Smyrilline)
en/of op de vaarroute van IJsland naar Denemarken, te IJsland en/of Denemarken, althans de Noord-Atlantische Oceaan en/of Noordzee tezamen en in vereniging
met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer] heeft mishandeld door die
[slachtoffer] (met kracht) bij de (boven)armen/polsen vast te pakken;

2.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak en voert daartoe aan dat het pakken bij de polsen van [slachtoffer] door verdachte was gericht op het afweren van [slachtoffer] en verdachte geen opzet had op het plegen van geweld.
Beoordeling door de rechtbank
Verdachte heeft verklaard dat hij de polsen van [slachtoffer] heeft vastgepakt en heeft gezegd “als je het maar laat”.
De getuigen die niet als verdachten zijn aangemerkt hebben bij de rechter-commissaris verklaard over de vechtpartij en de rol van verdachte daarin.
Getuige [getuige 1] heeft als volgt verklaard:
“ [verdachte 1] probeerde dit op zijn manier te kalmeren. Dat deed hij door, denk ik, de dames uit elkaar te halen. (…) Voor zover ik mij herinner probeerde hij met zijn armen de dames van elkaar te scheiden.
[getuige 2] heeft niet gezien of verdachte iets heeft gedaan.
[getuige 3] heeft verklaard dat hij niet precies weet hoe verdachte [slachtoffer] vasthield en dat hij verdachte verder niets heeft zien doen.
[getuige 4] heeft verklaard dat zij niet weet hoe verdachte [slachtoffer] heeft vastgehouden.
Uit de verklaring van [getuige 1] volgt dat verdachtes handelen naar uiterlijke verschijningsvorm niet gericht was op enige vorm van geweld. Die verklaring wordt niet weerlegd door de andere drie getuigen. Geen van allen verklaart dat verdachte kennelijk [slachtoffer] vasthield om zijn dochter [naam] de gelegenheid te geven haar te slaan. Dat [naam] dat wel deed is verdachte, in het licht van de verklaring van [getuige 1] , niet aan te rekenen.
Naar het oordeel van de rechtbank bevinden zich in het dossier dan ook te weinig aanwijzingen dat verdachtes opzet op het gebruik van geweld tegen [slachtoffer] was gericht, ook niet in voorwaardelijke zin. De rechtbank acht daarom de primair en subsidiair ten laste gelegde feiten niet bewezen en zal verdachte daarvan vrijspreken.
Nu verdachte wordt vrijgesproken zal de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

4.De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:
Spreektverdachte vrij van het tenlastegelegde feit.
Verklaartde
benadeelde partij niet-ontvankelijkin haar vordering.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.L.F. Prisse (voorzitter), mr. J.M. Hamaker en mr. S. Boot, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.T.P.M. van Aarssen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 november 2018.