8.4.Eiser heeft aangevoerd dat hij in het buitengebied van Barneveld is aangehouden in de nabijheid van de enige grote uitgaansgelegenheid in dat gebied, in het weekend en na middernacht, zodat er geen sprake van is dat hij toevallig werd betrapt. Verder heeft eiser gesteld dat de psychiater ten onrechte de sociale context, het feit dat het een uitgaansavond was, het moment van aanhouding en het ontbreken van een strafblad buiten beschouwing heeft gelaten.
Verweerder heeft hierin geen aanleiding hoeven zien om het verslag van bevindingen niet aan het bestreden besluit ten grondslag te leggen. Het aantal kilometers dat eiser gereden had, het tijdstip en het ontbreken van een strafblad is daarbij wel betrokken. Verweerder heeft verder kunnen overwegen dat eiser hiermee miskent dat hij zelf de keuze heeft gemaakt om als bestuurder van een auto op te treden nadat hij een geruime hoeveelheid alcohol had genuttigd. Het aangevoerde maakt daarnaast niet dat sprake is geweest van een routinefuik, hetgeen in het verslag van bevindingen is meegewogen. Met betrekking tot de opmerking dat eiser is aangehouden in de nabijheid van een uitgaansgelegenheid, wordt overwogen dat eiser heeft verklaard 7 kilometer te hebben afgelegd.
9. Wanneer eiser het niet eens was met de bevindingen en de conclusie van de psychiater, zoals die aan verweerder zijn verstrekt, had het bovendien op eisers weg gelegen om die te ontkrachten met andersluidende bevindingen en conclusies van een andere psychiater. Eiser had de mogelijkheid om een tweede onderzoek naar zijn rijvaardigheid en geschiktheid aan te vragen, als bedoeld in artikel 134, derde lid, van de WVW 1994, dan wel om een eigen deskundigenrapport op te laten stellen, maar heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
10. Eiser heeft daarnaast aangevoerd dat het bij hem geconstateerde promillage bij een ‘normale’ bestuurder, niet zijnde een beginnend bestuurder, geen aanleiding had gevormd om een onderzoek naar zijn geschiktheid op te starten.
Dat de wetgever in dit kader een onderscheid heeft gemaakt, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de conclusie in het verslag van bevindingen dat sprake is van alcoholmisbruik in ruime zin. Uit dit verslag blijkt bovendien niet dat is meegewogen dat eiser beginnend bestuurder was. Als eiser van oordeel is dat verweerder geen onderzoek naar zijn rijgeschiktheid had mogen laten uitvoeren, omdat de wet- en regelgeving ten onrechte een onderscheid maakt tussen een beginnend bestuurder en een normale bestuurder, had hij bezwaar moeten maken tegen het besluit van 2 december 2016 waarbij dit onderzoek is opgelegd en dit daar naar voren moeten brengen.
11. Omtrent de verwijzing van eiser naar het feit dat in het bestreden besluit ten onrechte een keer is genoemd dat eiser twee keer onder invloed heeft gereden, overweegt de rechtbank dat sprake is van een kennelijke verschrijving. Immers, in de rest van het bestreden besluit en het verslag van bevindingen wordt enkel verwezen naar de aanhouding op 5 november 2016.
12. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs niet in stand kan blijven.
13. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.